CH2018 en de Überfriezen

De coöperatie 2018 wil de bevolking vijfhonderd nieuwe  Friese  woorden laten bedenken. De Friese Bewegers die op dat lumineuze idee kwamen, willen zich in de praktijk nog wel eens te buiten te gaan aan wat in taalkringen ‘vormfetisjisme,’ wordt genoemd: de aftandse neiging om voor dát idioom te kiezen waarmee zoveel mogelijk afstand van het Nederlands wordt genomen. Een nogal bedrieglijke manier om te laten zien hoe uniek het Fries is. Een klimaatridder heet straks een ‘Griene Pier’.

ch2018Vijfhonderd nieuwe Friese woorden. Daarmee moet het erfgoed van de taal  uitgebreid en/of opgepoetst. Het plan is onderdeel van wat de Coöperatie, nogal protserig en pompeus, ‘de folsleine selsfernijing en it op ’e nij ûntdekken en opfrissen fan de Fryske identiteit’ (…) noemt.

Twee jaar geleden op de Europese dag van de talen lanceerden de Ried fan de Friese Beweging, de Fryske Akademy en het letterkundig centrum Tresoar een soortgelijk initiatief. Het ging om een wedstrijdje vertalen van nieuwe Nederlandse woorden. Naast ‘raasblaze’ (roeptoeteren) en ‘folksprottelje’ (voxpoppen) leverde het taalprothesewerk de meest bizarre vormen van vormfetisjisme op. Kijkfile werd ‘koekeloerrige’, verpaarding  ‘ferhystepôljen’ en pimpen ‘oppoaie’.

Nu, twee jaar later, wordt datzelfde idee nóg een keer van stal gehaald. Hoe creatief, hoe origineel! De grote (zelf)vernieuwing: afkijk- en overschrijfwerk. De door de overheid betaalde propagandazender ‘GPVV’ was – natuurlijk – weer buitengewoon enthousiast over het tweedehands idee van ‘de jonge creatievelingen’. Vijfhonderd nieuwe Friese woorden. Blijkbaar wil de coöperatie 2018 het project Leeuwarden Culturele Hoofdstad tot een veredeld taalbevorderingsinstituut maken. Sterker nog, met zulke ‘creatieve’ plannen moet de stad Leeuwarden over zes jaar meer Fries zijn, wordt gefluisterd. Toe maar, Fryslân en de wrâld (Friesland en de wereld). Draagvlak?

De taalbewegingsplannen van coöperatie 2018 zijn ronduit megalomaan. Vijfhonderd nieuwe woorden. Dat wordt Fries scrabbelen voor ingewijden. Een ‘hiphapperke’ zal een hogere woordwaarde krijgen dan ‘ynsektebroadsje’ (insectenbroodje), want ‘echt’ Fries. Dat wil zeggen: ‘ervige ang’ (gezonder dan gezond) en ‘yngreven nijfrinzich Frysk’ (totaal nieuwmodisch Fries). Taalverrijking? Welnee! Opgepimpte taalpuristische onzin. (*1) Van de weeromstuit wijk je naar het Nederlands uit. Taalidealisme verblindt. Nog even en de nieuwe Friese taalkolder wordt ‘opgefrist’ en gezegend met het spiritueel populistische prietpraat waarmee CH-rapporten en notities als ‘Zin in de toekomst’ – een overigens van Groen Links geroofde titel – zijn opgetuigd.

Tweede Kamerlid Lutz Jacobi zei het al: ‘Ik wil niet voor lul staan als ik moet uitleggen waarom we meedoen aan de Culturele Hoofdstad.’ (Liwwadders, 20/04/12) Nee, stop de gelden die men bij het miljoenenproject CH2018 voor dit soort onzinnige taalexercities wil uittrekken maar in de cultuur zelf, dus in Tryater, het Friese amateurtoneel (in de samenwerking tussen die beide ook), in de opzet, ontwikkeling en het zichtbaar maken van kwalitatief meer Friese en/of tweetalige (cultuurjournalistieke) media, – verlos de wereld van GPVV – het maken van Friestalige muziek, strips, (video)clips en -games, in de verdieping van de relatie tussen (Friese) literatuur en beeldende kunst, in het overeind houden van het Fries academisch onderwijs, enz.

Het Fries is, kortom, gebaat bij een sterke culturele infrastructuur. Maar, helaas pindakaas, die is de afgelopen jaren volledig gestript, tot op het bot. Het oplappen ervan is noodzaak. Investeren in cultuur is onontkoombaar, vergt lef ook. Taalideologische hoempapa van allerlei Überfriezen (inclusief de beroepsfriezen) kan daarbij echter achterwege blijven evenals het vage, quasi mystiek ‘folksgeprottel’ over ‘dat Friese in ons’ en andere nonsens over ‘de Friese ziel’ of ‘de Friese nestgeur’. Als toneelgezelschap Tryater de Friestalige uitvoering van Macbeth speelt of oorspronkelijk werk zoals It geheim fan ’e kanselier, dan kom je voor de voorstelling zelf. De taal neem je en passant mee.

Bij het lezen van de kolderieke taalideeën van de coöperatie 2018, een groep waarvan een aantal leden medeverantwoordelijk is voor bedenkelijke en dubieuze rapporten als Fan de minsken en de grûn, schoot mij het artikel ‘De Fryske identiteit bestiet net’ te binnen, een verhaal dat ik een aantal jaren geleden voor het tijdschrift de Moanne maakte. Het is de weergave van een lang interview met de frisist Pieter Breuker en de kunsthistoricus Huub Mous. Het vraaggesprek zelf vond plaats op een mooie zomeravond, achter in de tuin van Mous, duurde ruim zes uur, ging alle kanten op, niet in de laatste plaats door een glaasje dit-en-dat…

Het artikel is nog altijd actueel. Er zijn niet tot nauwelijks veranderingen in aangebracht. Waar dat wel het geval is, zijn ze tussen haken gezet.

.

(*1) Taalvernieuwing leg je niet op, zeker niet van bovenaf. Hoe het wel werkt, laat iemand als schrijver-dichter Reinder Rienk van der Leest (1933) bij voorbeeld zien in zijn veelal als ‘taalspelen’ te beschouwen romans. In klassiekers als It moaiste famke fan Antartica of Morfeus yn de ûnderwrâld, Komme dy kepers, satirische en hoogst vermakelijke ‘detectives’ over de avonturen van Nier Hinnebruier en Dynte Planteit, tast de schrijver, een stilist pur sang, doorlopend de grenzen van de taal af. Van der Leest, een van de belangrijkste naoorlogse Friese schrijvers en dichters, schept een eigen (taal)wereld. Speelser dan welke andere Friese schrijver ook maakt hij bij voorbeeld rijkelijk en lichtvoetig gebruik van allerlei ‘ouderwetse’ woorden, zijn werk is ook doorspekt van duizend-en-één neologismen. Zijn vindingrijkheid doet niet onder voor die van Annie M.G. Schmidt of Kees van Kooten. Van iemand als Van der Leest leer je taal, niet van allerlei megalomane Friese (taal)bewegers die de bevolking vijfhonderd nieuwe Friese woorden willen laten bedenken. Het is alleen jammer dat een experimentele schrijver als Reinder Rienk van der Leest in het huidige epoch niet of nauwelijks (meer) verkoopt.