De Friese identiteit bestaat niet

In het spoor van het maatschappelijke debat over cultuur en identiteit dat alom in Europa wordt gevoerd, bestaat ook in Friesland de behoefte tot een heroriëntatie op het begrip Friese identiteit. Het tweetalige cultureel opinietijdschrift De Moanne nodigde kunsthistoricus Huub Mous en Pieter Breuker, docent Fries aan de RUG in Groningen en kaats- en sporthistoricus uit om daarover daarover hun licht te laten schijnen. Breuker kiest voor dynamiek en vernieuwing. ‘Het afwijzen van het andere en het nieuwe en het behouden, met een overbescherming van het ‘eigene’ betekent een langzame culturele dood. Belangrijker is de wil en het vermogen om de confrontatie met andere culturele invloeden aan te gaan en die op een vitale manier in de cultuur op te nemen.’ Huub Mous is van mening dat door ‘een proces van fundamentalisering’ de taal tot het hart van de cultuur is gemaakt, terwijl dat in 1945 veel minder het geval was. ‘Vanuit een erg defensieve houding schuift men de taal naar voren als zou dat letterlijk de essentie van de identiteit zijn.’

van gogh1

 .
9/11 Theo van Gogh

De discussie over culturele identiteit speelt zich ook af tegen de achtergrond van een snel globaliserende wereld, de integratie van economieën en verschillende culturen. Wat dat betekent, is op microschaal onder meer terug te vinden in Hoe God verdween uit Jorwerd. Daarin beschrijft Geert Mak hoe door de schaalvergroting in de landbouw en de rationalisatie van productiemethoden een typische plattelandsgemeenschap als Jorwerd langzaam maar zeker zijn beslotenheid verliest, een proces dat voor onomkeerbare veranderingen zorgt, zowel op het terrein van de religie, de cultuur als de taal.

De naoorlogse ‘revolutie’ in Jorwerd is exemplarisch voor de ontwikkelingen op het platteland in de rest van Friesland. Of men daarbij van verlies of verandering moet spreken, laat zich moeilijk bepalen. De veranderingen zelf weerspiegelen in zekere zin de spanning bij het zoeken naar een antwoord op de vraag: welke richting te kiezen in een culturele (minderheids)situatie, waarin men naast de gevolgen van een globaliserende wereld van ouds te maken heeft gehad met een in macht en status dominante Nederlandstalige cultuur en welke consequenties heeft het een en ander (gehad) voor de Friese cultuur en identiteit?

Huub Mous: ‘Wat mij intrigeert, dat is de verandering en ervaring van het begrip Friese identiteit. Bij mijn onderzoek naar de ontwikkelingen van de naoorlogse beeldende kunst in Friesland [Mous schreef daarover het boek De kleur van Friesland, e.h.] blijkt dat hetgeen in 1945 onder Friese identiteit werd verstaan niet hetzelfde was als nu. Het gaat, en dat was niet typisch Fries, om het bewustzijn van een gewestelijke cultuur. Er bestond een streven naar het bewaren van iets authentieks dat een wapen moest zijn tegenover de oprukkende moderniteit en verstedelijking. Die door de romantiek gevoede tegenstelling tussen de agrarisch gewestelijke cultuur en de moderniteit, is in zestig jaar tijd weggevaagd. Immers, de tweede grote industrialisatiegolf heeft ook Friesland allang bereikt. Het bewustzijn van de gewestelijke cultuur is verdwenen. Ik bedoel, taal is maar één aspect van de cultuur. Destijds was er ook de beeldende kunst, het volksdansen, noem maar op. Mensen zijn dat vergeten. Er is sprake van een enorm geheugenverlies. De identiteit is, anno 2007, iets zeer kunstmatigs. Men is bezig met een soort fundamentalisering. Ook in 1945 was de taal belangrijk, maar niet op de exclusieve manier zoals nu.’

constructie

hanskrift Eeltsje Halbertsma1
Handschrift Eeltsje Halbertsma (1797-1858)

Breuker: ‘Een eeuw later is dat nog zo. Voor mij is het aardige van het Fries dat die taal functioneert en dat op een zo’n natuurlijk mogelijke manier kan doen. Dat betekent dat je die taal volop kunt spreken en schrijven. Het betekent echt niet dat je moet blind staren op taalvormen als zodanig, bijvoorbeeld door voor die taalvormen te kiezen die zo ver mogelijk van het Nederlands zijn verwijderd om daarmee het unieke en het bijzondere van het Fries te bewijzen. Ik heb dat destijds in mijn proefschrift ‘vormfetisjisme’ genoemd. In zo’n situatie krijg je teveel kunsttaal, een taal die steeds meer afwijkt van die van de ‘gewone man’. Bij die zogenaamde taaldistantiëring – het werkwoord ‘út ein sette’ [beginnen] zou beter zijn dan ‘begjinne’ omdat het verder af staat van het Nederlands – gaat het niet meer om de inhoud maar om de vorm.’

Mous: ‘Ja, dat zijn vormen van formalisme zonder levende context. Niet alleen in de taal, maar ook in de beeldende kunst in Friesland zie je dat. Er is sprake van een constructiemechanisme. Dingen die mogelijk verschillend zouden kunnen zijn aan wat zich elders manifesteert, – laten we niet vergeten dat identiteit niet over essenties gaat maar over verschillen – die worden zowel buiten als binnen Friesland herkend als, hé, dat is typisch Fries. En dat is raar. ”Er wordt geïdealiseerd, ook buiten Friesland. Kijk naar de wording van het fenomeen Benner. Het zijn de grote critici buiten Friesland die in de jaren vijftig het fenomeen Benner construeren, meer nog dan Friese kunstcritici als Kools [Eduard Kools was in de jaren vijftig en zestig kunstcriticus bij de Leeuwarder Courant. e.h.] dat deden. Het gaat dus om een spiegelbeeldig constructie-mechanisme. Concreet, het beeld van het primitieve en het authentieke. Als dat succesvol blijkt, is het moeilijk om je daaraan te onttrekken. Dus werk je mee om die formule te bevestigen. Als Benner uit Friesland weg is, krijgt je Boele Bregman. Daarna is het weer een ander. Zoals het op dit moment misschien Tsjêbbe Hettinga is.’

‘gezichtsvernauwing’

De tendens om de identiteit op eenzijdige wijze tot alleen taal te beperken en die in allerlei wetten vast te leggen, noemt Mous ‘een enorme gezichtsvernauwing’. Die stelling is zijn inleiding op een lange tirade tegen het Friese taalbeleid, zoals dat de afgelopen decennia vorm is gegeven door politici als Johanneke Liemburg en Bertus Mulder. ‘Dat zijn de personificaties van de Friese krampachtigheid. Veranderen om te behouden. Ik word daar heel droevig van. Bij Mulder vallen twee geloofssystemen samen, die van het socialisme en de Friese taalstrijd. Die man is zo blind – hij kan dus ook niet zien dat de taalstrijd geen sociaal probleem is – dat hij meent dat het nog steeds een strijd is tegen de Hollandse elite.’

Breuker: ‘Dat de Friese taalstrijd ook een sociale strijd zou zijn, is een idee waar in de jaren zeventig voor het eerst over is geschreven door de taalsocioloog Liuwe Hornstra. Ik vond dat idee vanaf het allereerste moment grote flauwekul. Tony Feitsma [[emeritus-hoogleraar Fries aan de Vrije Universiteit in Amsterdam e.h.] was een van die mensen die hetzelfde verkondigen. De ideeën van Mulder en Feitsma hebben bij het volk geen gehoor gevonden. Dat er een verband is tussen het spreken van het Fries en sociale lagen moge duidelijk zijn, maar dat er op basis van zuiver ideologisch denken een sociale strijd van is gemaakt, dat is niet alleen de wereld op zijn kop, het is ook hypocriet. De intellectuelen en de bovenlagen, zowel in de Friese politiek, het onderwijs, het bedrijfsleven en voor een deel zelfs bij de Friese instituties – samen zorgen ze voor de aansturing van het Friese taal- en cultuurbeleid – spreken in het algemeen geen Fries. Dat moet je ook niet zeggen dat het om taalstrijd gaat. Ook is het nog een keertje zo dat nogal wat mensen uit de zogenaamde onderlaag het liefst vandaag nog van het Fries af willen om op het Nederlands over te stappen. Het is geen taalstrijd, maar juist het tegenovergestelde ervan.

Gerrit BennerHuub Mous constateert dat de ‘ontideologisering c.q. de ‘ontmytho-logisering’ in het naoorlogse Friesland niet werkelijk is geslaagd, omdat de institutionele systemen, van de Fryske Academie tot en met de media, in het bijzonder de Leeuwarder Courant, te overheersend waren. ‘Mede daardoor heeft Friese cultuur de aansluiting bij de moderniteit en de postmoderniteit gemist. Er is, met uitzondering van de jaren zeventig, sprake van een vertraging ten opzichte van de randstedelijke cultuur. Kijk eens naar wat er tegenwoordig in de beeldende kunst gebeurt. Overal is er aandacht voor de derde wereld, wereldculturen, voor Azië en noem maar op, maar waar blijft de beeldende kunst in Friesland? Of kijk naar de Chinezen, die vinden de moderniteit op hun eigen manier uit. In hun eigen regionaliteit zijn ze, paradoxaal genoeg, moderner dan het meest kosmopolitische denken. Ze creëren identiteit. Die sprong heeft Friesland niet kunnen maken. Ze vallen terug op het vooroorlogse. Bij de discussie rond de omstreden en discutabele figuur Douwe Kiestra werd de globalisering niet aan de dynamiek van het modernisme en het postmodernisme gekoppeld, maar aan een oud etnisch denken uit de jaren dertig. Dat is toch heel vreemd en raar.’

restauratie

Het mechanisme van de restauratie is volgens Breuker overal sterk aanwezig. ‘Ook bij sommigen van mijn studenten. Dat ligt ook voor de hand. Immers, de instituties en organisaties, van Omrop Fryslân tot en met de Afûk, bestaan de gratie van dat mechanisme. Maar zodra je je daarover kritisch uitlaat, dan is het meteen schluss met de discussie, want dan kom je aan de wortels van hun bestaan. Hoe machtiger de instituten, hoe groter de repressie, of: het tegengaan van kritiek.’

Breuker is ervan overtuigd dat een eenzijdig op behoud gericht cultuurbeleid een sta-in-de-weg is met het oog op de noodzaak tot het bevorderen van een open en critisch klimaat en de assimilatie van andere en nieuwe culturele invloeden. De kern van zijn standpunt is dat binnen een en dezelfde gemeenschap het naast elkaar bestaan van twee culturen eerder een vorm van rijkdom en een bewijs van vitaliteit is dan van bedreiging. Dat laatste is een van de redenen waarom hij stelt liever een algemene dan een Friese universiteit te hebben en liever een tweetalig literair en cultureel tijdschrift dan een uitsluitend Friestalig blad. Verder zullen er volgens Breuker ook hoge eisen aan de kwaliteit moeten worden gesteld, wil de Friese cultuur de confrontatie met andere culturen aan kunnen. In dat kader pleit hij voor het stimuleren van het sterke, bij voorbeeld van de moderne Friese poëzie, van een Friesland dat zich laat zien als een wetenschappelijke pionier op het terrein van de biologisch, kleinschalige landbouw en natuurbeheer. Dat is tegelijk ook een van de beste illustraties van zijn denken over de Friese cultuur: bewaar het bijzondere en koester dat, maar doe dat in combinatie met het andere en het nieuwe.

sintrale asDynamiek

Huub Mous en Pieter Breuker beschouwen het Friese landschap als een onderdeel van de Friese identiteit, maar ook daarbij is de hoofdkritiek dat bij de ontwikkeling en de inrichting van dat landschap vaak het adagium geldt ‘veranderen om te behouden’. Mous: ‘Wat Mulder met de taal heeft gedaan, het verabsoluteren ervan, dat doet Anita Andriessen met het eigene van het Friese landschap. Dan vraag ik: ‘Wat is dat eigene eigenlijk? Ook iemand als Peter Karstkarel doet dat, hij wijst op die oude, organische structuren in dorpen en landschappen en dan denk ik: Jezus, ga eens naar Brabant, daar bestaat het verschil dat men hier heilig verklaart helemaal niet meer. Van dat zogenoemde ‘Frysk eigene’ in het landschap wordt een mythe gemaakt.’

Breuker heeft weinig waardering voor de ‘verrommeling’ van het landschap zoals dat onder meer in Brabant aan de orde is. ‘Friesland is groen, maar wel dodelijk groen, het is een gemene kleur groen geworden, elke nuance die ik als kind in de kleuren kende – en dat is echt geen romantiek – die is weg. De zintuiglijkheid is uit het landschap gehaald. Die verarming heeft zich in nog geen veertig, vijftig jaar afgespeeld. Het is begonnen met de kunstmest, direct na de oorlog, daarna kwam de mechanisatie, de ruilverkaveling en schaalvergroting. De strijd die er nu om het Friese landschap wordt gevoerd, is in mijn ogen een achterhaald gevecht. De verkeersinfrastructuur en de witte schimmelbouw zijn de baas. Daar is het landschap ondergeschikt aan gemaakt. De kruimels natuur die over zijn gebleven, worden beschermd.’

‘Maar daar zit iets fatalistisch in’, roept Mous. ‘Het aansluiten bij kleinschalige landbouw is het aansluiten bij iets wat het altijd is geweest, klein.’

Breuker: ‘De krimp en de leegloop van Noord-Friesland moet een halt worden toegeroepen. Je wilt toch geen provincie van alleen maar oude mensen die niets anders doen dan recreeren. Ik vind dat een verschrikkelijk vooruitzicht. Een Friesland dat een functie krijgt die nog meer op toerisme is gericht of een Friesland als het zogenaamde paradijs voor de ‘grijze plaag’. Nee, dan zeg ik, je kunt ook anders omgaan met de beschikbare ruimte op een manier die economisch meer vrucht afwerpt.

Mous komt nog een keer terug op de constructie van identiteit. ’Ik denk dat de modellen ervoor ontbreken. Maar het onderwerp is hot: de creatieve industrie. Er zijn in Amerika, Florida, steden waarin een bohémienachtig klimaat van creativiteit heerst. Daar gaat nu de economie naar toe. De creatieve klasse gaat niet naar de werkgelegenheid. Nee, de industrie komt naar het klimaat waar creativiteit heerst. Dat gaat op voor de stedelijke cultuur. In Nederland, Eindhoven en omgeving, zie je ook een creatieve sfeer ontstaan waarin economische bloei tot stand komt. Nu weet ik wel, je kunt niet van de vloer op de zolder stappen. Maar toch, met al die leegstaande boerderijen waar jij op duidt is er genoeg ruimte voor een creatieve kennisindustrie.’

contraproductief

Blijft over de vraag of het zinvol is om een Friese canon te schrijven met het doel om een Friese identiteit te versterken. Mous noch Breuker staan bij een dergelijke onderneming niet te juichen. Pieter Breuker: ‘Mensen zoals Kerst Huisman zoeken het aleen nog maar in het verleden, ze schrijven in hun canon over de Friese geschiedenis waar het is misgegaan met de mogelijkheid tot de vorming van een Friese staat. Dat komen ze bijvoorbeeld uit op het jaar 1498…’ Huub Mous lacht, spottend: ‘Leve de Friese Balkan.’

Breuker waarschuwt dat Huisman in zijn nationalistisch denken niet alleen staat. Bij verschillende groepen is dat ‘grote denken’ heel prominent aanwezig. ‘In plaats van te zeggen: wat de kansen ook zijn geweest, die kansen zijn voorbij, we zullen daarom moeten handelen naar de situatie van nu. In plaats daarvan bijt men zich vast in dat ‘vermeende grote verleden’. Dat werkt hartstikke contraproductief. Vanzelf moet je kennis van het Friese verleden hebben, ik draag daar zelf in het onderwijs en in wetenschappelijke publicaties aan bij, maar voorop staat de vraag: Wat doen met het Friesland van nu? Dat is van groter belang dan al dat eenzijdig graven in het verleden.’