Een gat in de schaduw – Sporen van de Nul-beweging in Friesland

Een wand van hoog opgestapelde houten bierkistjes, een met rijen witte veertjes volgeplakte zwarte bodem, monochrome witte reliëfs. Het was deze vorm van kunst of liever gezegd, anti-kunst die ooit, begin jaren zestig, werd verguisd en bespot. De werken waren in 1962 te zien op de eerste grote tentoonstelling van de Nul-beweging in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een jaar daarvoor had Armando, een van de oprichters van de Nederlandse Nul-groep, in het roemruchte Manifest tegen Niets al laten weten: ‘Kunst kan gemist worden als kiespijn!’ De Nul-groep viel in 1967 uiteen, maar de artistieke erfenis en invloed van Nul is gebleven, ook in Friesland.

Krattenwand1
Jan Henderikse, ‘Krattenwand’

 

De Nul-tentoonstelling in het ‘Stedelijk’ werd destijds door kunstcriticus Hans Redeker afgedaan als een manifestatie van ‘malaise en landerigheid, van lusteloze onvrede met zichzelf en de wereld’. Inmiddels zijn al die woede en irritatie opwekkende kunstwerken van de Nul-groep, onderdeel van de internationale ‘ZERO’-beweging, top of the bill. Niemand die zich er eigenlijk nog aan ergert. Bij de internationale veilinghuizen is de kunst van Zero ‘roofgoed’, big business. Een monochroom wit reliëf van Jan Schoonhoven (1914-1994) bracht vorig jaar bij veilinghuis Christie’s in Amsterdam een slordige miljoen euro op.

Met de tentoonstelling ZERO: Countdown to Tomorrow, 1950s-60s kreeg de ‘ZERO’-beweging eind vorig jaar een grootse presentatie in het Guggenheim Museum in New York. De aangepaste versie ervan die op dit moment in Berlijn is te zien, verhuist deze zomer naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. Museum Bėlvèdere in Oranjewoud speelde vorig jaar op de Zero-revival in met de tentoonstelling Wit–Rood–Zwart, een door gastcurator, galeriehouder en Zero-kenner Fred Wagemans samengestelde tentoonstelling van vier belangrijke, aan Zero gerelateerde kunstenaars, onder wie Leo Erb, Bernard Aubertin, Henk Peeters en Jan Schoonhoven.

Terug naar Nul

koeienhuidpeeters
Henk Peeters (1925-2013) – Koeienhuid op spieramen

Terug naar nul, oftewel: tabula rasa, terug naar het begin, het grote niets, de eindeloze leegte, naar een vorm van palimpsest ook: een wegvegen van het verleden ten behoeve van een kunst in het nu. ‘Een schilderij is net zoveel waard als geen schilderij.’ Het was een van de standpunten in het uit 1960 daterende Manifest tegen Niets van Armando. Een jaar later zou hij, samen met Henk Peeters, Jan Schoonhoven, Herman de Vries en Jan Henderikse, de Nul-groep oprichten.

De dagelijkse werkelijkheid zelf, die vormde pas kunst of zoals Armando later zei: ‘Alles was mooi. Alles was interessant. Een groot oog, zo voelde ik me. (…) Alles wat je kan missen, is overbodig.’ Een paar jaar eerder had hij in een soortgelijk credo gesteld dat ‘er een nieuwe kunst [moet] komen en alles wijst erop dat ze komt. Niet mooi, niet lelijk meer, niet goed en kwaad meer (…) maar een kunst die geen kunst meer is, maar een gegeven feit…’

Een van die feiten was dat elk materiaal gebruikt kon worden. Alles deugde, alles was van waarde. Het draaide om de materialiteit zelf. Een Nul-kunstenaar als Henk Peeters maakte gebruik van eenvoudige, vaak alledaagse stoffen en materialen: watten, kunstbont, vogelveertjes, schuimplastic, nylondoek, water en dierenvel. Op de tentoonstelling Wit-Rood-Zwart in Museum Bėlvèdere, was van Peeters bijvoorbeeld het werk ‘Grytsje’ te zien, een ingelijste zwart-witte koeienhuid.

Op diezelfde tentoonstelling waren ook ‘objecten’ te zien van de Franse Zero-kunstenaar Bernard Aubertin, onder meer een rood geverfd houten plankje, met daarop rijen spijkers. Het object was onderdeel van een reeks, met daarin veel ritmische herhaling van structuren. De nadruk die veel Nul- en Zerokunstenaars op het seriematige leggen, is kenmerkend voor deze vorm van minimal art.

‘Isoleren en annexeren’

De Nul-werken, ze dagen uit, je staat ervoor en denkt: wat moet ik er in godsnaam mee, ze geven geen verhaal, zijn onpersoonlijk, zijn in hun aard absoluut abstract en bezitten bij al hun koele objectiviteit een bijna zakelijke afstandelijkheid. Elke verwijzing naar het biografische of naar dat wat ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ heet te zijn, is foetsie, nee, verbannen. Ja, wat moet je ermee?

Gard Sivik1Het ging de Nul-groep om het neerzetten van een radicaal nieuwe belevingswereld, een consequent aanvaarden van de Realiteit. Nul-leden als Armando waren verbonden met tijdschriften als Gard Sivik en Barbarber. ‘Voor het eerst in de kunstgeschiedenis’, schreef Armando in 1963 in Gard Sivik, ‘levert de kunstenaar geen commentaar op de werkelijkheid. Niet bemoraliseren. Niet parodiëren. Niet ironiseren. Maar intensiveren.’

Feiten waren belangrijker dan opinies en meningen. Aan de expressief-romantische en antiburgerlijke literatuur van de Vijftigers en het werk van lawaaiïge Cobra-kunstenaars als Karel Appel, daar hadden ‘de Nullers’ geen boodschap aan. Als er al sprake was van expressie, dan was het de expressie van het materiaal zelf. Armando vond dat je de werkelijkheid moest isoleren en annexeren. Dus, advertenties, moppen, telefoonboeken, alles kon gebruikt worden, want alles was tekst en daarmee dus ook literatuur. De schoonheid van het alledaagse. Die werkmethode leverde gedichten op zoals bijvoorbeeld dit ‘objet trouvé’, een dialoog uit Armando’s cycli Boksers, Agrarische cyclus en September in de trein:

‘- wat slingert dit rijtuig, hè.
– nou.
-je kan merken dat het het laatste is.
-ja.
-ja, d’r zit niks meer achter, he.’

Zero-Internationaal

De Nederlandse Nul-groep kan niet worden losgekoppeld van soortgelijke bewegingen elders in Europa, waaronder de Zero-beweging in Duitsland, de Nouveau Realisten in Frankrijk of de Azimuth in Italië. Kunsthistoricus en galeriehouder Fred Wagemans, die de afgelopen jaren in zijn galerie in Beetsterzwaag het werk van een aantal aan Zero verwante Friese kunstenaars liet zien, onder wie Harmen Abma, Sies Bleeker en Koos van der Sloot, wijst de kunstenaars Piero Manzoni, Lucio Fontana en Yves Klein aan als de oervaders van Zero.

In de inleiding bij de tentoonstelling Virtual Eggs (VE) van beeldend kunstenaar en stedenbouwkundige Koos van der Sloot (1953), eind vorig jaar in de Kunstruimte in Beetsterzwaag, wees Wagemans erop dat Lucio Fontana de eerste was die, zo ergens in de jaren vijftig, met een stanleymes sneden en krassen in doeken ging maken.‘Dat was een jaar of acht voor het ontstaan van Zero, midden jaren vijftig. Fontana werd verketterd en verguisd omdat dit in de ogen van veel mensen een destructief gebaar was, maar niets is minder waar. Het was geen destructie, veeleer een vorm van scheppen. Met het maken van sneden in het doek legde hij de ruimte, de oneindige ruimte achter het doek open.’

Volgens Wagemans was het schildersdoek tot dan toe altijd een vlak waar iets op werd aangebracht dat aanleiding gaf tot bij voorbeeld identificatie. ‘Bij Fontana gebeurt er iets heel anders. Hij zegt niet iets over zichzelf, hij handelt alleen maar. Als we voor zijn werk staan, zien wij de gaten en sneden, zeg maar, de luiken waardoorheen de oneindigheid is te zien. Er is sprake van een voortdurende bewegelijkheid van ruimte, licht en schaduw. Dat is feitelijk alles wat het werk is, niet meer en niet minder. Voor een hoop mensen was dat destijds onverteerbaar.’

Barnett Newman

Anno 2015 is het werk van Nul, Zero en zijn oervaders gemusealiseerd, sterker, de werken brengen poen in het laadje, veel poen zelfs en sommige Zero-kunstenaars gedragen zich als mediasterren. ‘Toch is dat secundair’, meent Fred Wagemans. ‘Waar het om gaat, is dat de weerstand die de gemiddelde burger tegen dit soort werk heeft nog altijd groot is. Dat was dus niet alleen vijftig jaar geleden het geval, maar ook nu nog.’

Het brengt de galeriehouder op een punt dat hij het grootste naoorlogse schandaal in de Nederlandse kunstgeschiedenis noemt. ‘Een of andere debiel, zoon van een realistische schilder, vond het nodig om in het Stedelijk Museum de serie Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman aan flarden te snijden. Zijn daad was er eentje, zo zei de man, uit naam van de realist Willink.’

Het echte schandaal zat hem volgens Wagemans in de daaropvolgende rechtszaak. De advocaat van de figuur die Newman vernielde, meende naar het werk van Lucio Fontana te moeten verwijzen, alsof het snijden en krassen in kunstwerken gebruikelijk zou zijn. Er zou in de kunst dus een precedent zijn. De advocaat liet het voorkomen alsof het om een artistieke daad ging. Derhalve diende de act geaccepteerd te worden. Wagemans: ‘Dat ze die advocaat niet onmiddellijk hebben gearresteerd, dat verbaast me nog steeds, te meer omdat in het werk van Fontana elke vorm van agressie ontbreekt.’

Virtual Eggs

Van de naoorlogse kunstenaars in Friesland zijn Harmen Abma (1937-2007) en Sies Bleeker (1941-2014) degenen die het dichtst bij de Nul-beweging stonden. Harmen Abma was er vroeg bij was, toen hij, net twintig, zijn eerste werken maakte. Maar van de Nul-groep had hij, net twintig, nog nooit gehoord. ‘Abma betreurde dit later. Hij liet weten dat hij achteraf bezien graag wel wat meer had willen weten over wat er elders in de kunst gaande was,’ noteerde Huub Mous in De kleur van Friesland.

swart1
Koos van der Sloot, Virtual Eggs, 2014. Foto: Linus Harms

Met zijn assemblages van jaloezieën en beschilderd linnen maakte Harmen Abma in het begin van de jaren zestig en zeventig alom naam. ‘Hij werd niet alleen gevormd door de verheven kunst van Newman, Rothko, Kelly en Noland, maar ook door de gelouterde generatie van ‘Fluxus’, ‘Nul’ en ‘Zero’, schreef Mous in Grondtonen, de catalogus die in 2009 verscheen bij de overzichtstentoonstelling van Abma zijn werk in Museum Bélvèdere.

Verder vonden Zero en de Nul-beweging weinig weerklank in de beeldende kunst in Friesland. Abma, die exposities had in het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Haags Gemeentemuseum, borduurde voort op de minimal art van de Nul-beweging, toen hij zich in de jaren zestig en zeventig ontwikkelde tot een geometrisch-abstract kunstenaar.

Een soortgelijke ontwikkeling is ook af te lezen aan het hier en daar aan de Nul- en Zerobeweging refererende werk van Koos van der Sloot. Aanvankelijk maakte hij assemblages en installaties, waarin uitgeblazen eieren en klokken een hoofdrol speelden. Voor Van der Sloot waren dat symbolen voor het verleden, heden en de toekomst. Het ei, dat zag hij als oervorm van de tijd.

Kenmerkend voor dat vroege, vaak in vitrines ondergebrachte werk zijn de ritmische herhalingen en regelmatige patronen. In een assemblage als De Zeis zijn tegen een wijnrode achterwand een viertal uitgeblazen, symmetrisch naast elkaar geplakte eieren te zien.

Door de eieren lopen vier dunne kettingen, waaraan de gewichten en tandwielen van een klok hangen. Het is een spel met de tijd, een verhaal met een symbolische betekenis.In het latere, meer abstracte werk van Van der Sloot zijn de eieren gebleven. Ze hebben voor hem nog altijd alles te maken met zijn jeugd in de natuur – de bossen en weilanden – rond Joure. De inhoud is dus gebleven, alleen de vorm en structuur zijn verregaand geminimaliseerd.

‘Schoonhoven-kwaliteit’

Bij Virtual Eggs gaat het niet meer om bestaande eieren, maar om reeksen streng geordende, in triplex geboorde gaten die door de werking van het licht de (schaduw)vorm van eieren en ellipsen aannemen. De vitrines zijn weggelaten, de werken zelf hebben lijst noch achterwand. Ze zweven als het ware in de ruimte. Er is sprake van een onophoudelijke bewegelijkheid van licht en schaduw.

Het zijn deze ruimtelijke objecten die aan de witgeschilderde reliëfs van karton en papier-maché van Jan Schoonhoven doen denken. Ook in diens reliëfwerken zorgt de werking van de schaduw, in combinatie met de herhaling van allerlei geometrische vormen, voor even ritmische als regelmatige patronen.

Wagemans: ‘Als je goed kijkt, dan zie je dat de objecten zelf enorm veel details hebben, tenminste als je op de dikte en omvang van de cirkels let. Het is ambachtelijk, strak gecomponeerd werk. Het kent het aspect van kwartieren [inhoudsmaten voor koren en zout en in dit geval voor eieren, e.h.], wat ook in Van der Sloot zijn vroegere werk voorkwam. Er zit een soort Schoonhoven-kwaliteit in. En ja, ook Schoonhoven was iemand die thuis aan de keukentafel zat te werken. Hij leverde composities af die kant en klaar waren. In die zin is zijn werk het minst representatief voor de Nul-kunstenaars die veel meer ruimte maakten voor improvisatie.’

Wat je in en om het als raamwerk neergezette werk van Van der Sloot ziet, is volgens Wagemans een gat in een schaduw. ‘Dat ontstaat door de in het raamwerk uitgezaagde cirkels. Ze fungeren als een doorgeefluik van het licht dat van één kant komt, in dit geval van de muur- en plafondspots. De schaduwwerking wordt anders als het om daglicht gaat. Dat komt van alle kanten. Je kijkt naar iets wat voortdurend in beweging in. De assemblages zijn wat dat betreft nooit hetzelfde. Afhankelijk van de sterkte van het licht worden de cirkels vervormd, niet alleen tot eieren, maar ook tot wonderschone ellipsen. Er zijn bezoekers in de galerie geweest die dachten dat de schaduwen tastbare dingen waren. Ze wilden er met de vingers aan zitten. Optisch bedrog dus.’

4LsHs_KvanderSloot_7249
Koos van der Sloot, Virtual Eggs, 2014 Foto: Linus Harms

Betekenis

In het laatste werk van Van der Sloot gaat het om eenvoud, de eenvoud van gedachte, de eenvoud van uitvoering en de eenvoud van zintuiglijke ervaring. Wagemans: ‘Daarmee sluit het werk aan bij de originele waarden van Zero en Nul zoals ik die ken. Ze bepalen de avantgardistische en utopische betekenis van Van der Sloot zijn werk.’

De kunstenaar zelf voelt zich door die woorden weliswaar gevleid, maar toch is hij het er niet volledig mee eens. Hij ziet zichzelf niet direct als Zero-kunstenaar. ‘In tegenstelling tot de Nul-groep wil ik de ruimtelijke objecten die ik maak niet presenteren als volstrekt onpersoonlijk werk. Door de inhoud, de eieren in al hun verschijningsvormen, is er voor mij nog steeds sprake van een biografische inhoud.’

Ook op andere punten voelt Van der Sloot zich niet direct verbonden met de Nul-beweging. Zo ziet hij zijn werk niet als een reactie op het woeste werk van de Cobra-kunstenaars. ‘De Nul-kunstenaars lieten geen persoonlijk handschrift toe, vermeden het biografische, terwijl er de pretentie was dat hetgeen ze maakten zonder betekenis was. Kijk, in dat opzicht staat mijn werk haaks op Nul. Niet zozeer in beeld, maar wel in betekenis. Wat ik maak, komt op organische wijze voort uit wat mij gevormd heeft: de tijd van mijn jeugd, de tijd van mijn eerste eierenverzameling.’

Bij de tentoonstelling Virtual Eggs liet Van der Sloot zijn werken zonder titel. Het was een nieuwe stap in de ontwikkeling naar een verdere objectivering. Het enige wat nog resteert, zijn de letters VE, plus jaar en volgnummer. Door het weglaten van de achterwand van de ruimtelijke objecten is het werk opener, lees: het is nog minimalistischer geworden. Fred Wagemans zegt dat het licht er voor zorgt dat de uitgezaagde cirkels in het materiaal gaten in de schaduw vormen. Van der Sloot lacht: ‘Als ik dat moet vertalen naar een idee, dan zeg ik: het Zijn is een afbeelding van het niet-Zijn.’

Koos van der Sloot voelt zich verwant aan oude conceptuele vaders als Marcel Duchamp of meer eigentijdse kunstenaars als Christiane Conrad, in Duitsland een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de monochrome schilderkunst, Joseph Beuys en Nul-kunstenaar Herman de Vries (1931), van wie deze zomer assemblages en installaties worden getoond tijdens de Biënnale van Venetië en aan wiens werk Van der Sloot zich schatplichtig weet. Wat dat betreft, is hij, samen Harmen Abma en Sies Bleeker, een van de weinige moderne, zo niet postmoderne Friese kunstenaars wier werk het dichtst in de buurt komt van Zero en Nul.

 

Met dank aan Lucie Visser (die een door Fred Wagemans gehouden inleiding bij de expositie Virtual Eggs transcribeerde).

Literatuur:
Huub Mous, De kleur van Friesland. Beeldende kunst na 1945, Friese Pers Boekerij, Leeuwarden, 2008.
Koos van der Sloot, Tijdschalen, assemblages, Museum Joure, Joure 2013.
Fred Wagemans, ‘Koos van der Sloot is geboren in Milaan in 1959’, inleiding bij de tentoonstelling Virtual Eggs van Koos van der Sloot, Beetsterzwaag, 15 november, 2014.
Huub Mous, Harmen Abma – Grondtonen, ‘Systeem op drift’, Museum Bélvèdere, Heerenveen-Oranjewoud, 2009, p. 32-35.
Wam de Moor, ‘Ik ben een echte Beobachter. Het oeuvre van Armando’, Ons Erfdeel, (dbnl) Rekkem / Raamsdonkveer, 2000.