Bloemlezing ‘Het goud op de weg’ als de leugen op de weg…

3bedoarnehannel
(3) Abe de Vries beweert, ook in deze bloemlezing, dat de poëzie van D.H. Kiestra “lange tijd ondergewaardeerd is.” Zijn stelling is niet houdbaar. Kiestra, die tot 1944 loyaal aan de Duitsers bleef, kon, meteen na de oorlog, met steun van de Friese Beweging zijn bundel Sinne op ’e striesek (1946) uitgeven. Zijn werk werd zonder probleem opgenomen in het literaire tijdschrift De Tsjerne. Als hij al niet onder het pseudoniem D. van Wieren publiceerde, dan was hij wel actief onder de naam Harmen Harstra, o.m. in het Fries Landbouwblad. De dichter kreeg alle aandacht en waardering, bijvoorbeeld voor zijn bundel It jier yn ’t roun (1955). Van de Leeuwarder Courant tot en met het Bolwurk, overal verschenen bijdragen van de dichter. De Kristlike Fryske Folks Bibliotheek kende hem in 1969 de KFFB-romanprijs toe. T. Hoekema en D. Tamminga gaven zijn Samle Fersen (1982) uit. Last but not least, geen Friese bloemlezing waarin geen werk van Kiestra is opgenomen, van Frieslands dichters (Wadman, 1949), Hûndert Fersen: In blomlêzing út ‘e Fryske Poëzy (Ph. H. Breuker, Y. Poortinga e.o., 1990) tot en met de Spiegel van de Friese poëzie (Oppewal, Boorsma, 1994). Kortom, De Vries verkoopt lariekoek en leugens als hij beweert dat D.H. Kiestra ‘lange tijd is ondergewaardeerd’. Die verzinsels passen echter bij zijn ‘hersteloperaasje Kiestra’, waartoe ook de vergoelijkende inleiding ‘Bycht, bea en ferlossing’ van de door hem samengestelde Kiestra-bloemlezing Skielk beart de hjerst (Frysk en Frij, 2005) behoort. De Vries zijn operatie moest zijn ‘triomf’ krijgen met de publicatie van een niet eerder verschenen Kiestra-gedicht op 5 mei, Bevrijdingsdag. De actie stond in het kader van het essay over Kiestra met de ietwat verraderlijke titel ‘De man hat in skyld foar ús west’ [Hij was een schild voor ons e.h.]. Geert Buelens, literatuurcriticus en tegenwoordig hoogleraar Moderne Letterkunde in Utrecht, schrijft met betrekking tot dergelijke vormen van vergoelijking in de Vlaamse literatuur: ‘Tot op de dag van vandaag (!) wordt nog altijd vergoelijking ingeroepen wanneer het over collaboratie gaat. Dat dit alles gebeurde onder het mom van volksverheffing en idealisme, lijkt een van de semantische en culturele schandalen van de twintigste eeuw, maar dat werd toen heel anders ingeschat. Ook vandaag lezen de memoires van notoire collaborateurs als de genoemde Theo Brouns en Wies Moens als een ode aan de verantwoordelijkheidszin, de innerlijke vroomheid en natuurlijke harmonie. En het tragische is, dat deze mensen dat nog meenden ook. […] De meeste leiders waren hooggestemde mannen, oprecht diep-religieuze idealisten. Dat zij het goed meenden en dat ze een geoefend lezer daar ook vandaag nog van kunnen overtuigen, zegt ons heel veel over wat idealisme in wezen is: een gevaarlijke vorm van gezichtsvernauwing, waarbij het Hogere Doel altijd zwaarder weegt dan de praktische bezwaren. Zo’n praktisch bezwaar was, bijvoorbeeld, dat de bevolking het zeer vaak oneens was met de hooggestemde betrachtingen van deze volksleiders.’

DE LEUGEN OP DE WEG

over de bloemlezing Het goud op de weg

een kritiek, een pleidooi

 

 

Tussen mijn vinger en duim
Rust de zware pen
Waarmee ik zal graven
Uit: ‘Digging’, Seamus Heaney

 

Met de tweetalige bloemlezing Het goud op de weg, de Friese poëzie sinds 1880 is de Friese literatuur vergast op een uitgelezen Friese Bewegingsbundel. In de Nederlandstalige inleiding maakt bloemlezer Abe de Vries zich sterk voor de zogenaamde ‘eigenheid van de Friese poëzie’. De lezer wordt voorgehouden dat bij alle overeenkomsten tussen de Nederlandse en Friese poëzie ‘er toch ook forse verschillen zijn.’ Er is niet alleen een verschil in taal, er zijn ook niet-taalkundige verschillen: herkenbare Friese motieven zoals slootjes, kalfjes, luchten, weilanden, oneindige akkerlanden, enzovoort. Deze regionaal-geografische elementen maken bij De Vries deel uit van wat hij als ‘de eigen Friese poëtische hoofdtraditie’(1) pleegt te beschouwen.

Knielend voor het altaar van de eigenheid wil hij ‘volmondig’ erkend hebben dat de Friese poëzie voor het grootste gedeelte ‘een soort boerenpoëzie is’, inbegrepen de daarbij behorende volkstaal. Die heeft, zoals het Fedde Schurer wordt nagezegd, ‘het goud op de weg’ in zich. De bloemlezer is van mening dat de traditie niet alleen geminacht is, maar ook verkeerd begrepen door het experiment. En dat, zo wil de impliciet didactische intentie, moet anders. Het is aan de Friese poëzie ‘oplossingen te zoeken voor de opposities tussen traditie en experiment, tussen volkstaal en literaire taal.’ De Friese dichter heeft een taak. Halleluja. Zo wordt de literatuur opnieuw misbruikt voor cultuur- en taalideologische doeleinden. De literatuur als lichtekooi.

In het kader van de verhouding tussen de dichter en ‘de bedreigde positie van de Friese taal’ wordt in Het goud op de weg opgemerkt dat de traditionele Friese poëzie ‘verbonden is met het idee dat de woordkunstenaar een dienende rol past jegens zijn bedreigde taal, en wellicht zelfs jegens de gefnuikte nationale aspiraties van zijn taalgebied. De Tweede Wereldoorlog heeft in Friesland wat dat betreft de exclusieve macht van de traditie gebroken.’ Als ‘grote traditiedichters’ worden Piter Jelles Troelstra, Douwe Kiestra, Obe Postma en Douwe Tamminga genoemd.

De zogenaamde ‘herkenbaar Friese motieven’ en ‘de volkstaal’ vindt De Vries vooral terug bij zijn ‘vader’ en voorbeeld Douwe Kiestra. Van Kiestra wordt gezegd dat ‘diens christelijk-mystieke poëzie lange tijd ondergewaardeerd is.’ Maar die bewering is zo ondertussen genoeg weerlegd(3), het is een fabel, sterker, het is één van de grootste leugens in de naoorlogse Friese literatuur.(4) Toch acht De Vries dat geen belemmering om het verzinsel opnieuw in te brengen als bewijsmateriaal voor zijn opmerking dat de traditie, ‘het eigene’, ondergewaardeerd is. Is dat niet enigszins ‘fnuikend’ voor de intentie om ‘enthousiasme te wekken voor de dichtkunst van een minderheidstaal in de Lage Landen?’ De nering van de bloemlezer doet hierbij denken aan de bedorven handel van die ene, beroemde visverkoper in Asterix en Obelix.

Voor zover de tegenstelling traditie – experiment al niet een oneigenlijke is, voor een literair historisch overzicht is de benadering te smal en gedateerd. Voor het overeind houden van zijn uitgangspunt dat de traditie tekort gedaan is, zijn bovendien tal van literair-historische gegevens verdraaid of weggelaten. Het maakt Het goud op de weg niet tot de meest solide en uitgebalanceerde bloemlezing. Elk nadeel heb z’n… Want aan deze bloemlezing hebben Friese literatuurhistorici de eerste honderd jaar meer dan genoeg werk om alle misslagen en andere dwalingen weer recht te zetten.

1. Fnuikend

Het betoog in de inleiding is niet op een literaire, maar op een taalpolitieke premisse gebaseerd. Bij een minderheidstaal als het Fries die permanent onder invloed staat van andere talen, heeft de literatuur volgens de bloemlezer ‘een natuurlijke neiging tot isolement, tot aandacht voor zichzelf, tot narcisme zelfs.’ Door de inzet en het enthousiasme van ‘een relatief kleine groep activisten’, gesteund door talrijke overheidsvoorzieningen (‘subsidiepolitiek’) is er, zo wordt gesteld, periodiek de openheid voor ‘de blik naar buiten’ en ‘het verleggen van grenzen’. Die slingerbeweging zou in de Friese poëzie van de 20e eeuw zijn evenknie hebben in ‘de nogal moeizame verhouding tussen traditie en experiment.’

Waarvoor staan beide begrippen, die het uitgangspunt vormen voor De Vries zijn betoog, eigenlijk? ‘De traditie staat dicht bij de volksliteratuur, uit zich in aandacht voor thema’s uit de eigen regio en provincie, maakt veelvuldig gebruik van landschapsbeschrijvingen, raakt niet zelden aan motieven als migratie en remigratie en vestigt aandacht op de bedreigde positie van de Friese taal. Het experiment daarentegen blijft liefst verwijderd van de volkstaal, gebruikt de wereld en de wereldliteratuur als klankbord en richt zich op de taal in z’n algemeenheid.’ Wat de literatuurwetenschappenlijke bronnen van deze (potpourri aan) kenmerken zijn, is jammer genoeg niet aangegeven.

Verder, dunkt mij, is het uitgangsconcept op basis van de dichotomie traditie – experiment eerder ingegeven door polemische bedoelingen – ik kom daar later in dit betoog op terug – dan door nieuwe ontwikkelingen en opvattingen binnen de recente literatuurgeschiedschrijving, zoals die geïnventariseerd, beschreven en toegepast zijn door literatuurwetenschappers in Nederland en Vlaanderen. (Buelens, Heynders, e.a.)(2) Het concept De Vries, met alle daarin opgesloten volksaardige elementen die hij de Friese poëzie toedicht, komt men in de theorie en praktijk van het vak van de literatuurgeschiedenis niet meer tegen!

2. Anachronisme

Voor de lezer die niet echt op de hoogte is van de Friese literatuur, was de inleiding beter te begrijpen geweest wanneer die geannoteerd zou zijn geweest. Wie, met het oog op de zogenaamde ‘eigenheid’ van de Friese poëzie, bijvoorbeeld wil weten wat ‘herkenbaar Friese motieven’ zijn, krijgt geen antwoord. Hij/zij moet daarvoor bekend zijn met een artikel als ‘Identiteit en Kowesturten’.(5) Daarin stelt De Vries: ‘Wanneer er een eigen (sic! e.h.) Friese poëtische hoofdtraditie bestaat, dan is dat er een van akkers en weilanden, sloten, vaarten en luchten, boerderijen en beesten, dorpen, wegen, kortom: alles dat de opene, naakte ruimte kenmerkt die Friesland is.’ Kijk maar, roept hij in datzelfde artikel, ‘het werk van veel jonge dichters getuigt van die Traditie’, ze schrijven over ‘grasgroene regels’, ‘beeldschone schapen in groene weilanden’, ‘oneindige luchten’, ‘het erf van de afgebrande boerderij’, ‘onzichtbaar akkerland’, ‘dolende paarden op een dorstig stukje land’. Dat is natuurlijk mooi veldwerk, maar de hypothese dat er naast het verschil in taal ook nog zoiets is als een alles kenmerkende ‘eigen’ Friese poëtische identiteit, is met deze motieven en thema’s niet waargemaakt. Al was het maar omdat ze zich gemakkelijk laten falsifiëren met tal van voorbeelden uit de poëzie van, voor de vuist weg, Willem Jan Otten, Hagar Peeters, Esther Jansma, H.H. ter Balkt, Willem van Toorn, Rutger Kopland en vele anderen. Het enige dat de bloemlezer in zijn ‘koeiestaartartikel’ laat zien is een literair-wetenschappelijk anachronisme: een door een regionale geografie (‘de Friese ruimte’) bepaalde poëtische identiteit.

NA DE ELFSTEDEN

Hij schrijft zijn slagen in een laagje water, schaatser
op het laatste ijs. Hij rijdt de herinnering aan rijden door,
aan de gekraste zweepslag, die bestaat nog in zijn oor.
Waar was het straffe voor? Om eens het langste eind te gaan,
de tocht verreden na de tocht, zo verregaand dat onderweg
vervloeien zou tot waar hij was? Hij glijdt de dorpen door
met op zijn hielen dooi. Er is een einde maar niet aan het eind

Willem Jan Otten

Jo Smit
Jo Smit

Nee, wanneer het om de waardering of een herwaardering van het gewestelijke gaat, dan valt het op dat de bloemlezer z’n oren wél laat hangen naar eerdere vormen van vooroorlogse volksideologie (dat tegenwoordig een pendant heeft in Fries nationale organisaties als de Groep van Auwerk), maar bijvoorbeeld niet naar de dames en heren literatoren van het in dezen niet onbelangrijke literaire tijdschrift De Blauwe Fedde (Meindert Talma, Jaap Krol, Joke Corporaal e.a.) of naar het werk van de dichter criticus en essayist Jo Smit (1916-1991), die zich uitputtend bezig hield met de relatie Friese Beweging, literatuur en het gewestelijke. Als ‘federalist’ gold voor hem  het Europese perspectief.

In het artikel ‘Ja seit Jo’ (De Tsjerne, 1959) plaatste hij de Friese Beweging in een existentieel interpretatiekader, hij verbond de zin en vrijheid van zijn bestaan en persoon met de (Friese) literatuur. ‘De Beweging,’ schrijft Smit, ‘is voor een groot deel een uiting van (de problematische) menselijke vrijheid.’(6) Aan een dienende rol van de literatuur had hij evenwel een broertje dood, die wilde hij niet de ‘loophond’ van de Beweging laten zijn.(7) Als dichter is Smit, die in de jaren vijftig een van degenen was die de Friese literatuur liet kennismaken met het werk van Albert Camus, niet in de bloemlezing terug te vinden. Als criticus en essayist is hij voor De Vries geen referentiekader, ook niet in zijn andere geschriften. Kortom, de bloemlezer z’n ideologie ligt niet zozeer bij het hier-en-nu, maar meer bij het tijdvak van het Friese Interbellum, bij schrijvers as Jan Piebenga, Douwe Kiestra e.a.

3. Vreemde bokkensprongen

osip-mandelstam-
Osip Mandelstam

Naast genoemd anachronisme zijn er meer literair-historische incongruenties die de inleiding bij Het goud op de weg niet altijd even aannemelijk maken. Laat ik mij wat dat betreft beperken tot de invloed en betekenis die de dichter Tjitte Piebenga (1935-2007) worden toegeschreven. Piebenga kon volgens De Vries niets met het experimentele werk in het tijdschrift Quatrebras, hij wees dat af. ‘Hij probeerde de vernieuwing te vinden in de muzikale mogelijkheden van de taal zelf.’ Zijn eerste bundels zouden gebaseerd zijn op ‘de klankexperimenten van onder meer Osip Mandelstam en Jan Engelman’, schrijft De Vries. Opmerkelijk. Piebenga’s eerste bundels verschenen in 1958 (Fersen foar Marida), 1959 (De thermen van Karratsjana) en 1963 (Fersen). De poëzie van Mandelstam (1891-1938) kreeg echter in Nederland pas naam in het begin van de jaren zeventig, toen Kees Verheul, slavist en vertaler Russisch, werk van hem publiceerde in het tijdschrift Tirade, een paar jaar later stelde hij de Mandelstam-bloemlezing Wie een hoefijzer vindt (1974) samen.(8) Maar het kan natuurlijk zijn dat Tjitte Piebenga ‘de uitgesproken moeilijke Russische dichter’ (Verheul) toen, rond zijn vijfentwintigste, in het Russisch gelezen heeft. Voor zover ik heb kunnen nagaan, wordt in Piebenga’s poëtica, noch intern, noch extern, gerefereerd aan de grote Rus(9) of aan het Acmeïsme, de literaire stroming waar Mandelstam en de dichteres Anna Akhmatova wel toe gerekend werden. (K. Verheul) Ook literatuurhistoricus en –criticus Babs Gezelle Meerburg, die meerdere malen over Piebenga geschreven heeft, blijft in dit chapiter blanco.(10)

Enfin, sommige lezers ‘in de Lage Landen’ zullen bij zulke betoverende namen wellicht al gauw denken: Mmm… imposant, Piebenga-Mandelstam. Die verhouding komt echter in een ander licht te staan als men weet dat de bloemlezer Bartle Laverman ooit vergeleek met Martin Heidegger, Trinus Riemersma met de Tsjechische schrijver Hrabal, Douwe Kiestra met Vergilius en Tsjêbbe Hettinga met de Griekse Tiresias.(11) Anders gezegd: Abe de Vries heeft soms de neiging om de Friese literatuur groter te maken dan die is. Wellicht speelt hem daarbij ‘het Friese minderwaardigheidscomplex’ parten, inbegrepen alle daarbij horende vreemde bokkensprongen?(12) Misschien is het, als het om het chapiter van De Vries zijn grootspraak gaat, het beste Babs Gezelle Meerburg aan te halen die over De Vries zijn Kiestra-bloemlezing Skielk beart de hjerst (2005) opmerkte: ‘Het bewijzen van literaire invloeden is een precaire zaak en vereist erg gedegen onderzoek. [ …] Abe de Vries is soms niet genoeg gefundeerd, te journalistiek en te schreeuwerig.’(13)

4. Voorwaarts mars…

Greben Rypma
Gerben Rypma

Van Tjitte Piebenga wordt verder gezegd dat ‘hij de eerste dichter was [die] in de Friese literatuur experiment en traditie met succes in een synthese bracht; een synthese die hij grondvestte op het taalmateriaal.’ Uitspraken over ‘het eerste zijn’ zijn te absoluut, literatuur is geen wielerwedstrijdje om de kerk heen! En wat betekent in dit verband ‘met succes’? Alles is relatief, ook (in) het spel van de literatuur. De uitspraak zelf laat zich overigens ook eenvoudig weerleggen door deze bijvoorbeeld te bekijken in relatie tot het werk van Tiny Mulder. In hetzelfde jaar dat Piebenga de bundel Fersen foar Marida uitbracht, werd Tiny Mulders vers ‘Nachttrein naar Chicago’ bekroond met een Rely Jorritsmaprijs (1958). Omstreeks die tijd publiceerde zij mooie moderne en bijzonder muzikale gedichten zoals ‘Bitterswiet’ en ‘Frou mei paraplu’, teksten die deel uitmaken van een corpus van poëzie, waarover de jury van de later aan de dichteres uitgereikte Gysbert Japicxsprijs onder andere zei: ‘[…]Zij mijdt het experiment niet, maar gooit aan de andere kant alle traditie ook niet overboord.’(14) Maar goed, de ‘synthetische’ Piebenga zou, volgens de bloemlezer, ‘de voorloper’ zijn van Tsjêbbe Hettinga, ‘die in andere (meer epische) vormen grotendeels de marsroute volgt die Piebenga heeft aangegeven.’ Voorwaarts mars, jawel, maar ook die bewering is onzin. Hoe zo? Wel, als er sprake geweest was van zorgvuldig literatuuronderzoek, dan was Abe de Vries met betrekking tot Hettinga zijn literaire vaders bij o.m. de op Dylan Thomas geënte bundel It libertynsk gehucht van Durk van der Ploeg uitgekomen, bij het werk van Sjoerd Spanninga en dat van Dylan Thomas. Stuk voor stuk dichters die, eind jaren zestig, begin jaren zeventig, populair waren bij een aantal (dichtende) studenten aan de Kweekschool in Sneek, onder wie Tsjêbbe Hettinga. Hiske Rypma, samen met Hettinga en Jelle Kaspersma één van de medewerkers aan het dichtbundeltje Ut ’e Fryske boezem (1971), over die tijd: ‘Piebenga had toen in Sneek absoluut geen weerklank.’(15) Volgens Jelle Kaspersma, die in dezelfde Sneker jaren veel met Hettinga optrok, ‘had Piebenga ons als dichter niets te zeggen, wel las ik zijn verhalen.’(16) Gaat het in Hettinga’s poëzie om de bronnen van ritme en muzikaliteit, dan duikt onder meer de poëzie op van Dylan Thomas en Habakuk de Balker II, van de laatste in het bijzonder de bundels Boerengedichten (1968) en Uier van het oosten (1970). Daarnaast is er, niet oan de brek in deite vergeten, ‘de welluidende natuurlyriek’(17) van Gerben Rypma (1878-1963), van wie twee jaar na zijn dood de poëziebundel Ik haw myn dreamen hawn en fragen verschenen was. ‘Daar was in dezelfde Sneker jaren veel waardering voor, ’ weet Hiske Rypma. ‘Wij liepen er mee weg, die poëzie was zo zangerig, zo mooi …’(18) Niet voor niets werd Gerben Rypma later nog eens door Hettinga geëerd in het dichtwerk Oan ’e brek, in dei (2003). Het zal geen verbazing wekken dat in Het goud op de weg geen werk uit It libertynsk gehucht van Durk van der Ploeg te vinden is. Rypma zelf is helemaal weggelaten. De Vries lijkt niet altijd even goed van de traditie op de hoogte te zijn. De Vries roept maar wat.

5. afvaloven

Marte Sikkema
Marten Sikkema [ps. G.A. Gezelle Meerburg]

Een zeperd van hetzelfde kaliber als die van Gerben Rypma betreft de omissie van Piter Yedema, Douwe Kalma en Marten Sikkema. Een paar opmerkingen over het drietal om aan te tonen dat Het goud op de weg soms niet anders is dan een magere, onbelegen gatenkaas. Yedema’s bundels Boarring (1987) en In iepen winter (1988 ) vormen met het oog op de Oostenrijkse dichter Trakl een schakel tussen Jan Wybenga en een aantal ‘jongere’ Friese dichters. Verder is Yedema niet onbelangrijk, omdat hij, evenals dichters als Geart van der Mear en Jan Kooistra, tal van klassieke uit de mode geraakte poëzievormen als de villanelle, het rondeel en het sonnet nieuw leven inblies. Alle drie de dichters grijpen daarbij terug op het werk van Petrarca, Dante, Milton e.a. In zijn sonnetten refereert Yedema nog wel eens aan Douwe Kalma (1896-1953), maar waar is Douwe Kalma zelf gebleven? De inleiding bij Het goud op de weg mag dan eindigen met Kalma’s beroemde credo ‘Friesland! De wereld!’, in de bloemlezing ontbreekt zijn werk. Kalma’s afwezigheid is opmerkelijk, ook omdat zijn poëzie zoveel overeenkomsten vertoont met die van De Vries. Ik noem het lenige taalgebruik evenals zijn bombastische idioom (met alle mooischrijverij die daar soms bij hoort), de technische vaardigheid evengoed als het ontbreken van een oprechte innerlijke noodzaak, de drive en ambitie evengoed als het soms blijven hangen in imitatie. Het is jammer dat de genoemde literaire dwarsverbanden – ik had in dit opzicht ook nog die tussen Fedde Schurer, Jan Dotinga en Eppie Dam kunnen noemen – zijn overgeslagen of anderszins zijn blijven liggen. De lacunes laten zich moeilijk rijmen met de intentie dat ‘de bloemlezing ook een beeld wil schetsen van de eigen ontwikkeling en plaats van die dichtkunst [de Friese e.h.] in het grotere Nederlands-Vlaamse en, nog een stap verder, in het Europese verband.’ In dit verband is het een raadsel waarom Marten Sikkema (pseudoniem voor G.A. Gezelle Meerburg), nota bene bekroond met de Gysbert Japicxsprijs – hij ontving de prijs voor zijn bundel Seinen – is genegeerd. Sikkema, een van de zogenaamde ‘Reiddomprige’-dichters, behoorde tot een ‘relatief kleine groep activisten’, die op zijn manier bijdroeg aan ‘het verleggen van de grenzen’, alleen al omdat hij in de jaren zestig en zeventig de Friese literatuur verrijkte met vertalingen uit de moderne Zweedse en Chinese poëzie. ‘Hij heeft zichtbaar kosmopolitische trekken,’ schreef Anne Wadman.(19) Zo voor de vuist weg schiet mij nog een aantal andere namen te binnen – ik noem ze in willekeurige volgorde – dat, naar het schijnt, niet aan het selectiecriterium van ‘het hebben van een persoonlijke stem’ voldoet: Fedde Schurer, Anne Wadman, Jelle Brouwer, Wibren Altena, Leo Popma, Lieuwe Hornstra, Geart van der Meer, Sikke Doele, Reinhard Verveld, Jan Kooistra, Syds Wiersma, Jouke Hylkema, Eric Hoekstra, Lida Dykstra en ga zo maar door. Ze gaan allemaal, zonder omhaal, Abe’s afvaloven in, stuk voor stuk worden ze voor de Friese poëziecanon afgeschreven, want ‘kanon-spelen’ is een ander doel van de bloemlezing: ‘Obe Postma, die inmiddels uitentreure gecanoniseerd is…’ Blijkbaar een reden om van Postma zeven gedichten op te nemen, hetzelfde aantal dat de Vries reserveerde voor de door hem hevig bewonderde ‘christelijk-mystieke’ boerendichter en Friese Beweger Douwe Kiestra. Kiestra zelf moet het op zijn beurt weer met één minder doen dan het aantal dat de bloemlezer van zichzelf uitzocht of, beter gezegd: uit liet zoeken, want, zo staat in de verantwoording: ‘De gedichten van Abe de Vries zijn uitgekozen door Ytsje Hoekstra.’ Van de bijzonder ‘deskundige’, dat wil zeggen, de holle, petieterige, en, op haar weblog afgaand, altijd even flink ‘meelopende’ dichteres Yva Hokwerda (ps. van Ytsje Hoekstra), is, zeg maar bij wijze van tegenprestatie, één gedicht opgenomen. Dat is er een minder dan Aggie van der Meer, die, gezien de receptie van haar poëzie, nog altijd een van de meest authentieke en eigenzinnige naoorlogse Friese dichters is, zeker als het gaat om het bezitten van een ‘persoonlijke stem’.

6. Vent

wadman-anne
Anne Wadman

Bij alle foute literair-historische aannames, omissies en losse opmerkingen springt het feit dat de poëzie van Schurer en Wadman is weggelaten het meest in het oog. Reden genoeg hier wat uitgebreider bij stil te staan. In de keus om beide dichters te elimineren ligt impliciet een polemische intentie besloten: het in twijfel trekken van de na de Tweede Wereldoorlog door Fedde Schurer uitgeroepen noodzaak tot het verbreken van de band tussen Friese literatuur en Friese Beweging. De reden voor de proclamatie is bekend: Friese schrijvers als R.P. Sybesma, D.H. Kiestra, S.J. van der Molen, Douwe Kalma e.a. kozen als taalactivisten, betrokken bij allerlei politieke en volksnationalistische groeperingen, onomwonden en zonder omhaal voor het fascisme. En het was hen menens, sommigen van hen zaten in 1944 nog in pro-Duitse bootjes op het Sneeker Meer van het grote Friesland te dromen. Door de band te verbreken verviel de noodzaak voor de Friese schrijver tegelijkertijd taalactivist te zijn; er ontstond ruimte voor het ontwikkelen van een autonome literatuur, of zoals Wadman het formuleerde: de Friese schrijver is in de eerste plaats schrijver en pas daarna Fries.  Op dat punt krijgt Wadman in de inleiding van Het goud op de weg een draai om de oren, sterker, hij krijgt de rol van zondebok toebedeeld aangaande de hypothese van de bloemlezer: het miskennen van de in de traditie besloten ‘eigenheid’, waarbij inbegrepen de zgn. herkenbaar Friese motieven. Wadman, in die dagen tevens lid van de redactie van het Nederlandse literaire tijdschrift Podium, waarvan ook Lieuwe Hornstra, Fokke Sierksma en Willem Frederik Hermans een poosje deel uitmaakten, streefde net als een van zijn grote voorbeelden Menno ter Braak, naar een literatuur op niveau en in een Europees perspectief, of zoals hij het in 1952 omschreef, naar ‘een steeds verder verbreden van de horizon, een zich steeds uitbreidend ontrafelen van het menselijk mysterie.(20) Hij wilde de Friese poëzie, die volgens hem ‘grotendeels boerenpoëzie was’ onder de koeienstaarten vandaan halen.(21) De Vries verwijt hem dat een dergelijke ‘zendingspolitiek’ zijn doel voorbij schoot: ‘In plaats van volmondig te erkennen dat Friese poëzie grotendeels een soort boerenpoëzie was, is en zal blijven, werd verwoed gepoogd om bruggen naar de wereld te slaan door bij voorkeur de algemeen menselijke problematiek te belichten, die achter al die koeienstaarten schuilging. Dat is zowel een open deur intrappen als jammerlijk miskennen dat deze dichtkunst bepaalde unique selling points [herkenbaar Friese motieven, e.h.] heeft.’ Kortom, bij de Friese poëzie wenst de bloemlezer, in tegenstelling tot Wadman, het accent te leggen op het adjectief Fries. Een dergelijke stellingname is niet zonder consequenties m.b.t. de literatuurreceptie in het algemeen. In de eerste plaats, door te betwijfelen of het verbreken van de band terecht was – De Vries stelde het onderwerp eerder in Frage(22) – beseft de bloemlezer niet (of wìl dat niet beseffen) dat juist dankzij Schurer en Wadman dichters als Kalma en Kiestra na de oorlog de mogelijkheid, c.q. de ruimte kregen om in De Tsjerne te publiceren, daar de redactie, terecht, het werk zelf beoordeelde en niet de persoon.(23) Schurer en Wadman waren wat dat betreft autonomisten avant la lettre. In de tweede plaats: omdat De Vries het niet eens is met het literaire standpunt van Wadman wordt diens poëzie uit de bloemlezing geweerd. Waarom wil of kan De Vries persoon en werk niet uit elkaar houden?(24) Wie echter de tegel licht, ontdekt al gauw dat de literaire opvatting die eronder schuilgaat dicht in de buurt komt van het door De Vries vrij eenzijdig gehanteerde ‘ventisme’(25), een vorm van receptie die, vermolmd als ze is, out of date is.(26) Een en ander heeft tot gevolg dat De Vries menselijke motivatie promoveert tot literair criterium. Heel concreet wordt dit zichtbaar bij de omissie van het werk van Schurer. ‘Hij [Schurer] was te veel een man van welluidende rijmen en zijn drijfveer [sic! e.h.] was eerder het schrijven van goya-elsueno2religieuze dan van literaire teksten.’(27) Het gaat er hier niet om Schurer te verdedigen, het punt waar het om gaat is: de verstikkende cocktail van verouderde ‘ventistische’ literatuuropvattingen enerzijds en Friese nationalistische ideologie anderzijds, opvattingen die door de hele historie heen – o traditie – onvermijdelijk uitmonden in een: O, wat sterft de oude, literaire vrijheid toch een wonderschone dood! Overdreven? Nee. Het ontbreken van Gysbert Japicxprijs-winnaar Marten Sikkema (en zijn ijveren voor ‘een stukje kosmopolitisme’) past binnen het ‘ventisme’ van De Vries, zoals diezelfde literatuuropvatting deels ook debet is aan het moedwillig verdraaien van literair-historische feiten.(28)

7. Politieke sporen

Taalpolitieke intenties bepalen de literaire opvattingen die de bloemlezer er over de Friese poëzie op nahoudt. Om welke politiek gaat het dan eigenlijk? Met uitzondering van het verschil in taal, worden ‘de forse verschillen’ die er volgens De Vries tussen de Friese en Nederlandse poëzie zouden bestaan niet concreet aangegeven, laat staan dat ze literair inhoudelijk worden verantwoord. Integendeel, ze zijn, zo doet blijken, gebaseerd op een ontzettend romantisch angehauchte set van regionale en geografische gegevens, oftewel: ‘herkenbare Friese motieven’, zoals ‘de Friese ruimte’.(29) De bloemlezer laat deze elementen deel uitmaken van een volgens hem miskende (poëtische) traditie. Het is de nostalgie van slootjes, kalveren en oneindige akkers, die aansluit bij een voor de buitenwacht vaak als idyllisch neergezet en zo nu en dan als mystiek aangeduid Fryslân.(30) Unique selling points. De bloemlezer laat deze motieven onderdeel zijn van een volgens hem miskende eigen Friese poëtische traditie. Om die reden word gesteld: ‘De eigenheid van de Friese poëzie bestaat daarin, dat zij oplossingen zoekt tussen de traditie en experiment, tussen volkstaal en literaire taal.’ Het goud op de weg is in die zin een taalkritiek: aangezien de traditie en het daarmee samenhangende idioom (taaleigen) benadeeld is, is de volkstaal tekort gedaan. Het is aan de Friese poëzie om de volkstaal en de literaire taal met elkaar richting het bed te laten dansen, die met elkaar te verzoenen, de Friese poëzie [de Friese dichter] heeft een taak: Bildung, concreet: volks- en taalemancipatie. Met het oog op de zogenaamde miskende traditie gaat het de bloemlezer, taalkundig bekeken, in feite om een ideale taal, dé taal Fries, maar voor het bestaan daarvan is, zoals onder anderen Trinus Riemersma duidelijk heeft gemaakt, geen enkele wetenschappelijke basis. ‘Er bestaat in taalkundig opzicht net zo min iets als ‘de taal Italiaans’. Dit zijn ideologische concepten die gebaseerd zijn op gevoelens van nationalisme’.(31) Met dergelijke impliciet in de inleiding ondergebrachte intenties probeert De Vries ‘enthousiasme te wekken’ voor de Friese poëzie in Nederland en elders. Bah. Zijn holle-rombom-gedoe over de ‘eigenheid en identiteit’ c.q. ‘het eigen karakter van Friese poëzie’ sluit aan bij wat politici als Rita Verdonk in Nederland doen met hun retoriek over ‘de strijd tot het behoud van het Nederlandse karakter’, maar ook bij de kritiek die Jan Piebenga had op de bloemlezing Frieslands dichters (1949) van Anne Wadman, waarbij Piebenga ondermeer bezwaar had tegen Wadman zijn negatieve voorstelling van het ‘Friesnationale gevoel door de eeuwen heen’, waarbij hij voorbijgaat ‘aan de pangermanistische inslag in de Friese Romantiek.’(32)

Abe Weird_Fish___view_2_by_michaelshephardde Vries zijn pleidooi voor traditie ligt sterk verankerd in bovengenoemde conservatieve, traditionalistische (cultuur)politieke denkbeelden, ze hangen samen met de bezorgdheid en angst voor het verlies van de volkstaal, het taaleigen. Wat dat betreft haakt Het goud op de weg aan bij iets wat tot op zekere hoogte ook het huidige politieke en maatschappelijke debat beheerst: angst. Angst voor een veranderende taal, de internationalisering, het kosmopolitisme, de globalisering, ontwikkelingen die de identiteit van de natie, de cultuur zouden aantasten. Mmm… als zou het begrijp identiteit een vaststaand en onveranderlijke grootheid zijn. Nee. Ook dé Friese identiteit bestaat niet.(32) De angst voor een teloorgang van dat wat dè nationale en culturele identiteit schijnt te zijn, is zo ongeveer omgekeerd evenredig aan de huidige ‘canonitus’, de rage van het canonschrijven, waartoe ook de manie van het bloemlezen behoort. Het debat zelf, ja, dat is ondertussen uitgelopen op een narcistisch, in zichzelf gekeerd, neo-nationalistisch discours, dat zich vaak eenzijdig richt op het onderstrepen van de verschillen in cultuur en etniciteit, zoals Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan dat in Het bange Nederland, een pleidooi voor een open samenleving terecht vaststellen. Het is de passie van de Vox Populis die spreekt. De jacht op de verschillen, ook al zijn het dan geen literaire, zijn ook bepalend voor de canoniserende en literair-didactische intenties van Het goud op de weg. Waar dat op uitloopt, is in essentie niet anders dan hetgeen kunsthistoricus Huub Mous opmerkte naar aanleiding van de opdracht van de provincie Fryslân tot het schrijven van een canon voor de Friese geschiedenis. ‘Een Friese canon zal de Friese identiteit niet zozeer versterken, alswel de gekoesterde miskenning die eigen is aan de Friezen, in de kaart spelen. Friezen hebben eerder behoefte aan een historische deprogrammering dan aan een canonieke bevestiging van een proces van historische verstarring dat al anderhalve eeuw gaande is […] Laten we een nieuwe generatie niet opzadelen met de trauma’s van het Friese verleden. Laat het voor eens en altijd duidelijk zijn: de Friese canon moet  verboden worden!’(34) In een recent essay over cultuur en kennisoverdracht van de Friese cultuur en geschiedenis onderschrijft Goffe Jensma, hoogleraar Friese taal en letterkunde in Groningen, deze opinie. Zich overigens bewust van de overdrijving in Mous zijn uitspraak, merkt Jensma op: ‘Een verantwoorde canon moet eerder deprogrammeren dan programmeren. Dat is omdat een regionale cultuur, als ze zichzelf serieus wil nemen en volwassen wil zijn, zich niet in nostalgische zelfgenoegzaamheid moet willen wentelen, mar kritisch zichzelf moet durven onderzoeken.’[…] Ik ben niet de eerste, die opmerkt en waarschuwt dat canons hun doel voorbij schieten als ze zich in dienst stellen van nostalgie en van behoud van een overleefde cultuur.’(35)

Besluit

En daarmee ben ik terug bij een van de belangrijkste kritiekpunten op de inleiding bij Het goud op de weg: het opnieuw misbruiken van de (Friese) literatuur voor allerlei taal- en cultuur-   ideollithg bulb 2ogische doelen. Het betekent onwillekeurig ook het zagen aan de poten van wat de kunst in essentie is en per definitie wil zijn: amoreel en vrij. De literatuur is, nogmaals, niet een of andere dienstmeid die je, zomaar, willekeurig, de trap op en neer kan laten rennen, ook niet omwille van een taal die mogelijk of waarschijnlijk naar de filistijnen gaat. Als die taal naar de haaien gaat, nou dan gaat ze naar de haaien. Punt uit. Niet dat zoiets niet kan of moet worden voorkomen, zeker wel, maar het is niet aan de literatuur om die Herculestaak te verrichten. Daarvoor is de kunst, zo door de eeuwen heen, te vaak voor allerlei ideologische karretjes, koetsen en andere wagens gespannen. Door de polemisch opzet van de inleiding bij Het goud op de weg en de selectie van poëzie die daar voor een deel mee samenhangt, is er bij De Vries zijn canonschrijven geen sprake van een representatief beeld van het naoorlogse poëziecorpus. Last but not least, op literair-historisch terrein blaast en bluft de bloemlezer even luidruchtig als zijn bloemlezing dik is. Dat blijkt niet alleen uit de missers betreffende Piebenga(35) en Hettinga, maar ook zijn opzettelijke verdraaiing van feiten betreffende de receptie van het werk van de christelijke boerendichter D.H. Kiestra.(36) Ook wat dat betreft, is Het goud op de weg niet altijd betrouwbaar, ze is, erger, een leugen op de weg.

Eeltsje Hettinga, Leeuwarden, 31 oktober 2008

 

12 borgesKADER

Ik pleit voor een literatuurreceptie en -kritiek die meer en beter aansluit bij de ontwikkelingen en opvattingen in de recente literatuurwetenschap, zoals beschreven en toegepast door tal van literatuurwetenschappers in Nederland en Vlaanderen. (Buelens, Heynders, e.o.)(38) Het ‘ventisme’ van Abe de Vries is binnen de huidige literaire kritiek niet alleen een Frjemdkörper, maar ook een doodlopende weg, zoals ook, impliciet, blijkt uit de redenen waarom een aantal belangrijke Friese dichters in de bloemlezing Het goud op de weg is weggelaten. Een terug naar een zuivere autonomie van de literatuur volgens de opvatting van de Merlynisten in Nederland of van de sommige structuralisten in Friesland, heeft weinig doel. Toch zou het geen kwaad kunnen om zo nu en dan het oor nog eens op het spoor te leggen van dat ene klassieke en het in dezen zonder meer nog actuele essay ‘Tradition and the Individual Talent’ (1922) fan T.S. Eliot, al was het alleen maar om de literair-historische misstappen en andere aberraties zoals die in Het goud op de weg te voorkomen. De Engels-Amerikaanse dichter laat daarin zien hoe het verleden en heden op elkaar zijn betrokken, hoe de traditie de belichaming is van het tijdelijke en het tijdloze. Het zijn twee kanten van de medaille die tot op zekere hoogte ook kenmerkend zijn voor de twee grote, klassieke na-oorlogse Friese gedichten, te weten: de greate wrakseling en stadich brekke de foarmen út ’e skyl fan Hessel Miedema, teksten die zoals alle grote werken èn blijvend èn, wat de interpretatie betreft, voortdurend aan verandering onderhevig zijn. Beide gedichten zijn helaas niet in Het goud op de weg opgenomen, terwijl juist in deze teksten sprake is van een sublieme mix tussen een buitengewoon sterk lyrisch idioom en dagelijkse spreektaal. Daarnaast is Eliot’s werk van belang met betrekking tot de autonomie van de tekst zelf. Dat wil zeggen, zonder de close reading te verabsoluteren kan ze een uitgangspunt zijn en blijven bij het ontwikkelen van een o.m. meer interdisciplinair gerichte literaire kritiek enerzijds – dus rekening houdend, en ik volg hier o.m. de opvatting van Geert Buelens, met de politiek, de (pop)muziek, het theater, de strip, de film enzovoort – en een soortgelijke aanpak bij het schrijven van literair-historische overzichten anderzijds.(39) Als het om de waarde en het belang van de traditie gaat pleit ik voor een perspectief dat aansluit bij dat van een dichter als Jorge Luis Borges. Van de laatste een passage, afkomstig uit de inleiding bij Het geheimschrift en andere gedichten (1999), die ik ooit in het ‘Nachtbraakboek’ (Kistwurk, 2002) aanhaalde.  ‘Nooit heb geloofd in scholen en dogma’s, in stromingen en manifesten. Modern zijn […] is eigentijds zijn en dat zijn wij allemaal automatisch; het heeft geen zin om dat te benadrukken, want niemand kan in de toekomst of in het verleden kijken. Het heeft evenmin zin om Argentijns te zijn.’


noten

  1. Abe de Vries ‘Identiteit & kowesturten.Hjir des. 2004.
  2. O. Heynders e.o. ‘Lijnen en geleidelijkheid: Theorie en praktijk van de literatuurgeschiedschrijving in Nederland’ in Gij letterdames en gij letterheren, Nieuwe mogelijkheden voor taalkundig en letterkundig onderzoek in Nederland. Heynders houdt o.m. een pleidooi voor literair-historisch onderzoek vanuit een interdisciplinair perspectief, dus: het onderzoeken, vergelijken en beschrijven van poëzie in relatie tot ontwikkelingen in de beeldende kunst, theater, muziek, film, enz. Het betreft een aanpak die in Friesland zo goed als niet bestaat. Verder pleit ze in haar essay voor het z.g. ‘synchroniserende onderzoek’, het onderzoeken van de verschillen en de overeenkomsten tussen literaire teksten, door de eeuwen heen, concreet: passen de mystieke strofen van Hadewych b.v. bij sommige gedichten van Lucebert. ‘In beide onderzoeksthema’s zou de literatuurhistoricus bereid moeten zijn een letterkundige en tijdgebonden oriëntatie los te laten. Er zou bovendien veel plaats ingeruimd dienen te worden voor lezen, analyseren, en betekenis geven. Niet vanuit de overtuiging dat we terug moeten naar een autonomistische kunstopvatting, maar vanuit de idee dat lezen van literatuur en beeldende kunst ook een close reading van cultuur, maatschappij en tijd in de brede zin van het woord omvat. [..] Literaire teksten worden steeds minder afzonderlijk geanalyseerd en vaker in een breed cultuurhistorisch perspectief geplaatst.’ Het gaat Heynders niet alleen om een close reading van de tekst zelf, maar ook om een close reading van de maatschappij en de cultuur waarin teksten functioneren. In de Frise literatuur is vanaf de zijde van de literatuurwetenschappers (E. Bruinsma, G. Jensma. J. Corporaal e.a.) met name sprake van belangstelling voor literatuur-sociologisch onderzoek naar de productie, receptie, distributie en consumptie van literatuur, op basis van het werk van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Zie bijvoorbeeld Goffe Jensma’s kritische analyse van de recent verschenen Friese literatuurgeschiedenis Zolang de wind van de wolken waait in het tijdschrift It Beaken. De discussie over methoden voor het schrijven van een literatuurgeschiedenis spitst zich toe op een sociologische aanpak aan de ene kant en een cultuurhistorische aan de andere, of: ‘De institutionele kwantitatieve (object van onderzoek is niet of nauwelijks de inhoud van de tekst, maar de voorwaarden van zijn productie, distributie en receptie) en de cultuurhistorische (object van onderzoek is de betekenis van de tekst gerelateerd aan maatschappelijke en mentaliteitskwesties). Interpretatie en analyse van literaire werken afzonderlijk spelen alleen in de tweede benadering nog een rol. Het autonomistische paradigma (met nadruk op de literaire tekst als gesloten systeem) is aan het einde van de twintigste eeuw terzijde geschoven door een contextueel paradigma.’ Dat Heynders tot een radicale afwijzing komt van de institutionele aanpak, hoeft hier verder niet besproken – met het oog op de verhoudingen binnen het Friese literaire veld is die aanpak, dunkt me, niet onfortuinlijk – belangrijk is hier dat het uitgangsconcept op basis van de dichotomie traditie – experiment geen aansluiting kent bij de tegenwoordige manier van de literatuurgeschiedenisschrijven. Wel zijn er pendanten van te vinden in de opvattingen van Jan Piebenga. Ernst Bruinsma wijst in dezen op L. Missinne’s boek Kunst en leven, een wankel evenwicht, ethiek en esthetiek: proza-opvattingen in Vlaamse tijdschriften en weekbladen tijdens het interbellum (1927-1940), www.dbnl.org/tekst/miss003kuns01_01/colofon.htm
  3. Babs Gezelle Meerburg – ‘Oare tiden, oare seden’, Leeuwarder Courant, 30 sept. 2005. Gezelle Meerburg stelt dat het literaire tijdschrift De Tsjerne de dichter Kiestra geen strobreed in de weg legde bij de publicatie van zijn werk. ‘De redactie maakte zich niet druk om de Zuivering. Ze hanteerde alleeen literaire maatstaven, ze keek niet naar het maatschappelijke functioneren van de auteur.’
  4. Eeltsje Hettinga – Abe De Vries beweert ook in deze bloemlezing dat de poëzie van D.H. Kiestra ‘lange tijd ondergewaardeerd is.’ Zijn stelling is niet houdbaar. Kiestra, die tot 1944 loyaal aan de Duitsers bleef, kon, meteen na de oorlog, met steun van de Friese Beweging zijn bundel Sinne op ’e striesek (1946). Zijn werk werd zonder probleem opgenomen in het literaire tijdschrift De Tsjerne. Als hij al niet onder het pseudoniem D. van Wieren publiceerde, dan was hij wel actief onder de naam Harmen Harstra, o.m. in het Fries Landbouwblad. De dichter kreeg alle aandacht en waardering, o.m. voor zijn bundel It jier yn ’t roun (1955). Van de Leeuwarder Courant tot en met het Bolwurk, overal verschenen bijdragen van de dichter. De Kristlike Fryske Folks Bibliotheek kende hem in 1969 de KFFB-romanprijs toe. T. Hoekema en D. Tamminga gaven zijn Samle Fersen (1982) uit. Last but not least, geen Friese bloemlezing waarin geen werk van Kiestra is opgenomen, van Frieslands dichters (Wadman, 1949), Hûndert Fersen: In blomlêzing út ‘e Fryske poëzy (Ph. H. Breuker, Y. Poortinga e.o., 1990) tot en met de Spiegel van de Friese poëzie (Oppewal, Boorsma, 1994). Kortom, De Vries verkoopt lariekoek en leugens als hij beweert dat D.H. Kiestra ‘lange tijd is ondergewaardeerd’. Die verzinsels passen echter bij zijn ‘hersteloperaasje Kiestra’, waartoe ook de vergoelijkende inleiding ‘Bycht, bea en ferlossing’ van de door hem samengestelde Kiestra-blomlêzing Skielk beart de hjerst (Frysk en Frij, 2005) behoort. De Vries zijn operatie moest zijn ‘triomf’ krijgen met de publicatie van een niet eerder verschenen Kiestra-gedicht op 5 mei, bevrijdingsdag. De actie stond in het kader van het essay over Kiestra met de ietwat verraderlijke titel ‘De man hat in skyld foar ús west’ [Hij was een schild voor ons e.h.]. Geert Buelens, literatuurcriticus en tegenwoordig hoogleraar Moderne Letterkunde in Utrecht, schrijft met betrekking tot dergelijke vormen van vergoelijking in de Vlaamse literatuur: ‘Tot op de dag van vandaag(!) wordt nog altijd vergoelijking ingeroepen wanneer het over collaboratie gaat. Dat dit alles gebeurde onder het mom van volksverheffing en idealisme, lijkt een van de semantische en culturele schandalen van de twintigste eeuw, maar dat werd toen heel anders ingeschat. Ook vandaag lezen de memoires van notoire collaborateurs als de genoemde Theo Brouns en Wies Moens als een ode aan de verantwoordelijkheidszin, de innerlijke vroomheid en natuurlijke harmonie. En het tragische is, dat deze mensen dat nog meenden ook. […] De meeste leiders waren hooggestemde mannen, oprecht diep-religieuze idealisten. Dat zij het goed meenden en dat ze een geoefend lezer daar ook vandaag nog van kunnen overtuigen, zegt ons heel veel over wat idealisme in wezen is: een gevaarlijke vorm van gezichtsvernauwing, waarbij het Hogere Doel altijd zwaarder weegt dan de praktische bezwaren. Zo’n praktisch bezwaar was, bijvoorbeeld, dat de bevolking het zeer vaak oneens was met de hooggestemde betrachtingen van deze volksleiders.’
  5. Id. 1.
  6. Jo Smit, ‘Ja seit Jo’, De Tsjerne 1959
  7. Trinus Riemersma, ‘Literatuer fwar it karke fon…’, Trotwaer, s. 289, 1973 ‘Ze [de literatuur]  heeft geen dienende taak,’ schrijft Riemersma, ‘net zo min als ze ‘de Beweging’ moet steunen of mensen tot het christendom bekeren of de jongeren moet verbieden om te masturberen – literatuur is vrij […] literatuur is amoreel.’
  8. Kees Verheul, Wie een hoefijzer vindt, Van Oorschot 1974.
  9. Tjitte Piebenga, ‘Eksperimintele notysjes’, De Tsjerne 1960, 352-358. In dit artikel bepaalt en beschrijft Piebenga zijn houding tegenover de Experimentelen, het geeft tevens inzicht in zijn poëtica. Verwijzingen naar Mandelstam of andere Russische dichters zijn evenwel niet te vinden. Ook in de verschillende artikelen van Babs Gezelle Meerburg over Piebenga (zie (2)) zijn geen referenties m.b.t. een relatie tussen Piebenga en Mandelstam te vinden. Uit ‘Ekperimintele notysjes’ wordt impliciet duidelijk dat het voor de dichter Piebenga, zo rond ’60, verdomde moeilijk was om zich los te maken van zijn twee literaire ooms, de dichter Douwe Tamminga en de journalist Jan Piebenga. Waar Abe de Vries heel stellig rept van een ‘met succes’ tot stand gebrachte ‘synthese tussen traditie en experiment’, daar zit de jonge dichter Piebenga eigenlijk, knap ongelukkig, met twee benen in één broekspijp. Dit terzijde.
  10. Babs Gezelle Meerburg, ‘In duit yn it ponkje. Yn memoriam Tjitte Piebenga’, farsk.nl desimber 2007.
  11. Eeltsje Hettinga, ‘De blinde inlegkunde van Abe de Vries’, go-gol.nl., 2006.
  12. Abe de Vries,Eros yn de greide farsk.nl, 2003. Op grond van de niet op feiten gebaseerde verhouding Piebenga-Mandelstam kan worden gezegd: de bloemlezer maakt ‘wat vreemde bokkensprongen’, al was het alleen maar omdat De Vries de pot is die de ketel verwijt dat… ‘Het willen aanwijzen van een schrijver die in ‘het buitenland’ goed gedaan heeft,’ schrijft De Vries in ‘Eros in de greide’, ‘is een al ouder motief in de Friese literatuurkritiek. Daarvoor moet men bijvoorbeeld verwijzen naar de ontdekking, zo aan het eind van de jaren vijftig, van ‘de nieuwe Friese boerenroman’. Met De smearlappen fan Wadman en Fabryk fan Trinus Riemersma kon Friesland dan eindelijk voor de dag komen. Dat het Friese minderwaardigheidscomplex in het geval van Postma voor wat vreemde bokkensprongen zorgt, daarop wijst ook de selectie van zijn gedichten in de Spiegel [van de Friese poëzie e.h.]
  13. Id. 3.
  14. Tiny MulderSamle Fersen, Ynl. s. 67-68, Frysk & Frij 2001. Juryrapport Gysbert Japicxsprijs, 1986 (voorzitter adviescommissie: G.A. Gezelle Meerberg)
  15. Hiske Rypma was een van de dichters in de bundel Ut ’e Fryske boezem (1971), waar verder de dichters Jelle Kaspersma, Binne Lútsen Boonstra, Tsjêbbe Hettinga en Anne de Vries hun bijdrage aan leverden. Hiske Rypma trok een aantal jaren intensief met Hettinga op: ‘Piebenga had ons niets te zeggen. Samen hebben wij de voorstelling Onder het melkwoud gezien, het hoorspel van Dylan Thomas, vertaald en bewerkt door Hugo Claus. Dat stuk maakte een verpletterende indruk. Ook bewonderden wij het werk van Gerben Rypma, zo lyrisch, zo zangerig, zo mooi, Gezelle op zijn Fries, maar soms ook, niet te geloven, zo weemoedig.’
  16. Jelle Kaspersma: ‘Ik had destijds in Sneek en Staveren Hans Lodeizen in de binnenzak van de jas. Verder was er Jaques Prévert, Lucebert, Cees Nooteboom. Van de Friese dichters las ik Joop Boomsma, Durk van der Ploeg, Geart van der Zwaag, Binne Lútsen Boarnstra. Wy publiceerden in de schoolkrant van de Kweekschool. De poëzie van Tjitte Piebenga zei ons niets in die tijd, wel zijn verhalen, De rook fan mesjester en zo. En verder was er dus Dylan Thomas, ik weet nog dat ik met mijn vriendin in het Amicitiatheater in Sneek Onder het melkwoud zag. Geweldig.’ Onder de pseudoniemen Kasper Jellema en Hette Tsjêbbinga publiceerde Kaspersma en Hettinga de bondel Loft, lân en sé (1974).
  17.  Jan Piebenga, Koarte Skiednis fan de Fryske skriftekennisse, Laverman 1957.
  18.  Id. 15.
  19. Anne Wadman, Oer oarmans en eigen, Essayistysk en kritysk ferskaat, ‘Frieslands dichters, in: ôfsluting’, s. 34-41.
  20. Anne Wadman, Fryske Fersleare, Reiddomprige, Laverman 1953.
  21. Anne Wadman, Friesland dichters, bloemlezing uit de Friese lyriek sinds 1880, Stafleu 1949.
  22. Abe de Vries, ‘De fyftichste Tsjerne, de bining ferbrutsen?’, farsk.nl 2005.
  23. Id. 3.
  24. Eeltsje Hettinga erosmos.nl – Het toepassen van een zuiver op de autonomie van de tekst gerichte literatuurkritiek, waarbij het gedicht wordt opgevat als een gesloten geheel, is te beperkt. De poëzie laat zich beter lezen en verstaan als ook rekening wordt gehouden met de context: verschillende, elkaar vaak overlappende velden op het gebied van politiek, kunsthistorie en kunst. Wat betreft het samenstellen van een literair-historisch overzicht en het schrijven van een literatuurgeschiedenis verwijs naar noot 2.
  25. Jabik Veenbaas, De lêzer is in duvel, ‘Yn dit boek’, s. 9, Bornmeer 2003. Veenbaas herintroduceerde het ‘ventisme’ in de Friese literaire kritiek. Hij beschouwt zichzelf overigens ‘niet zomaar als een “ventist” in de traditionele zin van het woord, dus iemand die de persoonlijkheid eenzijdig boven de vorm stelt.’ Dat is een meer genuanceerde interpretatie dan die van ‘ventist’ Abe de Vries. Zie noot 27.
  26. Id. 2.
  27. Fedde Dijkstra, ‘Hoe meer bloemlezingen, hoe beter’, Leeuwarder Courant, 24-05- 2008
  28. Id. 4.
  29. Id. 1.
  30. Eeltsje Hettinga, ‘Famylje en mite, Fryslân as hillige hoer’, go-gol.nl 2008.
  31. Trinus Riemersma, De kul oer it skouder, Ynl., Venus 2007.
  32. J. Piebenga, ‘Friese dichters voor Hollanders toegankelijk gemaakt’, Leeuwarder Courant, 04-11-1949
  33. Eeltsje Hettinga, ‘De Fryske identiteit bestiet net’, De Moanne, jrg. 6, sept. 2007.
  34. Huub Mous, ‘De Friese canon’, huubmous.nl 27 okt. 2006.
  35. Goffe Jensma, ‘Kangeroe naast kievit. Over beeldvorming en overdracht van Friese cultuur en geschiedenis’, It Beaken jrg. 70 (1-2), Fryske Akademy 2008.
  36. Id. 15, 16.
  37. Id. 4.
  38. Id. 2
  39. Eeltsje Hettinga, ‘Orale poëzy en it ûnútspreklike fan de dingen’, go-gol.nl 2008.