“Het slavernijverleden werkt nog steeds door in het heden” – De Black Archives

‘Swarte pyt – it kin net’: een demonstratiebord in de archiefkamer herinnert nog aan het gedwarsboomde antizwartepietenprotest tijdens de vorige Sinterklaasintocht. Hier, op twee hoog aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam, huist sinds twee jaar de Black Archives, ondergebracht in het pand van de Vereniging Ons Suriname.

Er heerst een ongedwongen, bijkans studentikoze sfeer in de centrale ruimte, met onopgesmukt meubilair en overal beeldende kunst om je heen. Hier worden meetings belegd en plannen gemaakt; hier wordt academische kennis gepaard aan onversneden activisme. De geschiedschrijving meerstemmig maken, de zwarte historie zichtbaar maken in de Nederlandse context, het verhaal vertellen van hen die in de historie zo dikwijls onderdrukt werden en monddood gemaakt – dat is de missie van de Black Archives.

Voortrekker is antropoloog Mitchell Esajas, ,,geboren en getogen Amsterdammer”. Zijn ouders kwamen in de jaren zeventig vanuit Suriname naar Nederland. ,,Ik was de eerste uit mijn grote familie die naar de universiteit ging. In de collegebankjes was ik meestal een van de weinige zwarte mensen.” Daar, en eerder al op de middelbare school, ervoer Mitchell dat er in het curriculum weinig aandacht was voor kolonialisme en slavernij.

,,Het slavernijverleden werkt nog steeds door in het heden”

Samen met andere studiegenoten met een Surinaams-Caraïbische achtergrond richtte hij daarom in 2011 het New Urban Collective (NUC) op. Deze in Amsterdam gewortelde sociale onderneming wil Afro-Nederlandse jongeren samenbrengen en stimuleren zich te ontwikkelen. ,,Het uiteindelijke doel is om de sociaaleconomische positie van deze groep jongeren te verbeteren”, verklaart Esajas. Wat begon met zo nu en dan een debatavondje is intussen uitgegroeid tot een organisatie die onder meer workshops, summer schools en mentorbegeleiding aan basisschoolleerlingen verzorgt.

De collectie

De gelegenheid om een archief op te bouwen, werd het NUC in de schoot geworpen toen de nalatenschap van de Surinaamse antropoloog en socioloog Waldo Heilbron (1936-2009) met hen werd gedeeld door de zoons van Heilbron. Als wetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam verdiepte Heilbron zich in kolonialisme en slavernij en maakte hij zich sterk voor een postkoloniale geschiedschrijving.

,,Hij had een scherp oog voor machtsstructuren. Het is altijd de dominante, welvarende, hoogopgeleide groep die de geschiedschrijving bepaalt. Hij wilde dat beeld corrigeren”, zegt Esajas met instemming. De boekenverzameling die Heilbron in de loop der jaren opbouwde, kwam na zijn dood in beheer van zijn zoons en het NUC en vormt nu een van de hoekstenen van het archief.

Begin 2016 kregen de archieven hun huidige plek in het gebouw van de Vereniging Ons Suriname (VOS). ,,Deze kamer was toen op het oog vrij chaotisch”, herinnert Esajas zich. ,,Ook de VOS sloeg haar documenten hier op. Het stond vol met dozen waar van alles in zat waar we geen weet van hadden.” Het grote uitpakken kon beginnen. ,,Er kwam veel interessants naar boven. We hebben nog steeds niet alles opgeruimd en georganiseerd.” Hij wijst op een paar dozen in de hoek die nog grondig doorzocht moeten worden.

Een Friese vondst in de Black Archives

Een van de bijzondere vondsten die Mitchell en zijn kompanen vorig najaar in de dozen aantroffen, was jaargang 1952 van het Friese tijdschrift De Tsjerne, met daarin een themanummer over Suriname. Het bevat vanuit het Sranan naar het Fries vertaalde poëzie en literatuur, onder meer van de bekende schrijver en politicus Eddy Bruma (1925-2000). Ook zijn er beschouwingen opgenomen over de taalsituatie in Suriname, waaronder één geschreven door hoogleraar taalkunde Wytze Gerbens Hellinga (1908-1985).

,,Zo’n Fries tijdschrift is niet iets wat we hier direct verwachtten aan te treffen, dus we waren er nogal door verrast.” De NUC zocht contact met een aantal Friezen in Amsterdam die intussen hebben geholpen om een begin te maken met het vertalen van de Friestalige teksten naar het Nederlands.

In het voorwoord valt te lezen: ‘Wy hawwe it wurd jown oan in mannich jonge Surinaemske kunstners om to tsjûgjen fan hwat harren driuwt yn de striid to gean foar eigen tael en kultuer.’ De ontmoeting tussen Friezen en Surinamers is tot stand gekomen ‘omt hjir arbeide wurdt op prinsipiëel deselde grounslach, mei deselde arguminten en doelstellingen as wy Friezen hawwe.’

Esajas leest de handgeschreven Nederlandse vertaling van een briefje. ,,Destijds zagen Friezen en Surinamers kennelijk zo veel overeenkomsten met elkaar dat ze zo’n gezamenlijk project op touw hebben gezet. Ze herkenden bij elkaar een gedeelde ervaring van de onderdrukking van hun taal en cultuur”, redeneert Esajas, en, met enige spijt: ,,het lijkt of er in die tijd meer solidariteit gevoeld werd tussen allerlei onderdrukte groeperingen. Het is allemaal erg individualistisch geworden.

Zwarte Piet in Dokkum

,,We hadden net dat Surinamenummer van De Tsjerne in onze collectie ontdekt toen de aantocht van Sinterklaas in Dokkum naderde. Nu we wisten van de verbroedering die al in de jaren vijftig tussen Friezen en Surinamers had plaatsgevonden, rekenden wij als tegenstanders van Zwarte Piet op begrip in Friesland.”

Esajas haalt een regel uit het voorwoord van het Surinamenummer aan: ‘Mear as hwer ek yn Nederlân kinne de Surinamers yn Fryslân op bigryp en sympathy tidigje.’ [Meer dan waar ook kunnen de Surinamers in Friesland op begrip en sympathie rekenen.]

Tja, dat viel ruim een halve eeuw later wel tegen. Misschien was het destijds net zo zeer als nu toch vooral een cultuurbewuste elite in Fryslân die zich met andere minderheden identificeerde en werden begrip en sympathie toen ook al niet zo breed in de Friese samenleving gevoeld als de schrijvers van het Surinamenummer wensten.

Of misschien is er sindsdien een nieuwe kloof tussen de Friese en de Surinaamse minderheid ontstaan: die tussen platteland en stad. De Friezen van De Tsjerne verhielden zich in de jaren vijftig immers tot een Surinaamse samenleving die een vrij sterk plattelandskarakter had – met de plantages en de toen niet erg grote stad Paramaribo, in de periferie van het Koninkrijk.

De Afro-Nederlandse minderheid die sindsdien in Nederland gegroeid is, heeft zich vooral in de grote steden van de Randstad gevestigd. De naam New Urban Collective is wat dat betreft veelzeggend. Terwijl de Friezen zich mutatis mutandis nog steeds beschouwen als plattelanders, zijn de Surinamers in Nederland bij uitstek stedelingen geworden.

In het publieke debat opgeklopte tegenstellingen tussen stad en platteland en daarmee geassocieerde tegenstellingen als modern en ouderwets, progressief en conservatief, kosmopolitisch en provinciaals, divers en blank, vormen vandaag de dag wellicht een obstakel in de verbroedering tussen Afro-Nederlander en Fries.

Educatie als tegenkracht

Hoe dan ook, een kwestie als Zwarte Piet is voor Esajas geen theoretische discussie, al is hij er zelf niet mee gepest. ,,Maar als kind merkte ik soms wel dat mijn moeder door andere kinderen op straat werd uitgescholden. Dan werd bijvoorbeeld het n-woord geroepen en als je de context weet, is dat kwetsend.” Naar eigen zeggen hielp het wel dat Mitchell in Amsterdam opgroeide, in een grote stad. ,,Vrienden van buiten de stad vertellen dat ze er meer last van hebben. Hier in Amsterdam gaat het op een subtielere manier.”

Hij haalt het nieuws aan over uitzendbureaus die desgevraagd massaal bereid zijn om mensen met een bepaalde etnische achtergrond er bij voorbaat voor hun werkgever uit te filteren. ,,Jan, Piet of Klaas worden nu eenmaal eerder aangenomen dan Gregory of Mohamed. Dat is wat me het meeste stoort: als mensen hun best doen, van alles willen en kunnen, maar door hun afkomst tegen muren oplopen, minder kansen hebben dan een ander.”

Tegen de negatieve stereotypen die leiden tot zulke meer of minder expliciete vormen van discriminatie, is kennis het beste wapen, aldus Esajas. ,,Als je beter weet waar zulke vooroordelen vandaan komen, zul je minder geneigd zijn naar die vooroordelen te handelen.”

Maar kan de geschiedenis ook niet een last zijn die individuen met een verleden opzadelt waar ze zelf part noch deel aan hebben gehad? Is het wel productief om je identiteit deels aan zo’n verleden op te hangen, of het nu een Fries of een slavernijverleden is, als dat in het heden een mentale afstand schept tot mensen zonder die achtergrond?

Als je beter weet waar zulke vooroordelen vandaan komen, zul je minder geneigd zijn naar die vooroordelen te handelen.”

,,Individuen kunnen altijd raakvlakken met elkaar vinden als hun karakters daarvoor open staan, hoe verschillend hun achtergrond ook is”, vindt Esajas. Kennis van de geschiedenis weten is volgens hem altijd beter dan onwetendheid, ook als die geschiedenis problematisch is.

,,Die mentale afstand tussen groepen met verschillende achtergronden wordt sterk veroorzaakt door de vertekende beelden en impliciete oordelen die we via media en in verhalen om ons heen horen. Educatie is nodig als tegenkracht. Als we op school niet leren hoe de hedendaagse diversiteit van de Nederlandse maatschappij tot stand is gekomen, hoe moeten we dán van stereotypen en racisme afkomen?”

Erfenis

Aan die educatie, aan het dominante narratief dat de Nederlanders over hun eigen geschiedenis vertellen, valt nog veel te verbeteren, vinden ze bij het NUC. De dekolonisatie van de geschiedschrijving is nog lang niet voltooid, aldus Esajas. En dat is een discussie die deels letterlijk op straat gevoerd moet worden: ,,een straat naar iemand vernoemen is toch een soort acceptatie van wie die persoon was. Hij of zij wordt gecanoniseerd, genormaliseerd.”

Maar is een straatnaam juist geen aanleiding om over het verleden in discussie te gaan? Als we alle namen uit het straatbeeld verwijderen van mensen die er andere normen en waarden op nahouden dan wij vandaag, dan wordt ook die ongemakkelijke geschiedenis aan het zicht onttrokken, betoogt bijvoorbeeld de Leidse emeritus hoogleraar geschiedenis Piet Emmer. 

,,Als we Piet Hein en Jan Pieterszoon Coen willen blijven kennen, stop ze dan in geschiedenisboekjes. En om zo veel historische figuren gaat het helemaal niet: je kunt vrij duidelijk onderscheid maken tussen mensen die actief gruweldaden hebben begaan en mensen die gewoon leefden binnen de normen van hun omgeving in die tijd.”

Ook Emmers argument dat normen en waarden nu eenmaal door de tijd heen veranderen en het daarom geen zin heeft een moreel oordeel over het verleden te vellen, wijst Esajas resoluut af. ,,Ook ten tijde van de slavernij was er wel degelijk verzet tegen slavenhandel. Wat dacht je van de tot slaaf gemaakten zelf? Naar de morele maatstaven van de VOC was slavernij normaal, maar dat was het niet voor hen die er slachtoffer van werden.”

Waar het Westen naar Esajas’ overtuiging bovendien een verantwoordelijkheid heeft, is in de betrekkingen met Afrika vandaag de dag.

En dat brengt Esajas terug bij zijn drijfveer om de geschiedschrijving meerstemmig te maken: Piet Emmer spreekt namens de machthebbers van toen, aldus Esajas, en hij namens de stemloze tot slaaf gemaakten, om zo te komen tot een beter gebalanceerd verhaal over het Nederlandse verleden.

Schuld

Discussies rond kolonialisme en slavernij draaien niet om schuld, benadrukt Esajas. ,,Ik kan individuen niet verantwoordelijk houden voor wat hun voorouders lang geleden gedaan hebben. Maar wij met z’n allen dragen wél verantwoordelijkheid voor de consequenties die dat verleden nog heeft in het heden.” Hij geeft voorbeelden als Zwarte Piet, discriminatie op de arbeidsmarkt en het gemiddeld zeer lage financiële vermogen van Afro-Nederlandse huishoudens.

Waar het Westen naar Esajas’ overtuiging bovendien een verantwoordelijkheid heeft, is in de betrekkingen met Afrika vandaag de dag. ,,Op een veranderde manier bestaat het kolonialisme in feite nog steeds. Politiek zijn Afrikaanse landen onafhankelijk geworden, maar economisch hebben Westerse bedrijven er nog steeds veel macht. Afrikaanse elites kunnen de verleiding van het grote geld niet weerstaan en in ruil roven multinationals er de bodemschatten voor Amerikaanse en Europese voedsel- en luxeproducten. Buitengewoon frustrerend, allemaal.”

******

Sinds het Surinamenummer van De Tsjerne, 66 jaar geleden, is een blijvend engagement van de Friese met de Surinaamse minderheid en vice versa niet tot stand gekomen. Is de wederzijdse herkenning toch te gering? Een koloniaal slavernijverleden is immers wel van een heel andere orde dan de betrekkelijk harmonieuze historische ervaring van Fryslân met Nederland.

Laten we in ieder geval nieuwsgierig naar elkaar blijven. Het New Urban Collective is bij dezen van harte uitgenodigd in Culturele Hoofdstad Leeuwarden en in ruil heeft Mitchell Esajas de volgende tips voor u.

1. Walter Rodney, How Europe Underdeveloped Africa (1972). In dit boek betoogt de Guyanese historicus en activist Walter Rodney (1942-1980) dat de Afrikaanse onderontwikkeling te verklaren is door Europese machtspolitiek en economische uitbuiting.
.
2. Expositie over honderd jaar Vereniging Ons Suriname. Vanaf januari te zien in het verenigingsgebouw. In het archief van de vereniging vond The Black Archives bijzondere verhalen over antikoloniaal verzet dat sinds het begin van de twintigste eeuw in Nederland plaatsvond. Op 26 oktober wordt ’s avonds een pop-up expositie geopend over verborgen verhalen van verzet van Surinamers in Nederland.

Jan Ybema, historicus en journalist.

.
Noot: Dit in opdracht van Eeltsje Hettinga geschreven artikel maakt onderdeel uit van een drietalige bloemlezing met Surinaamse poëzie. Deze anthologie, onder anderen samengesteld door door de Dichter van Fryslân, verschijnt eind volgend jaar. [copyright artikel, e.h. en j.b.]
.


.